Home page



Zijn komst als ster




"Wijzen uit het oosten kwamen in Jeruzalem vragen:
Waar is de Koning van de Joden, die geboren is? Want we hebben Zijn ster in het oosten gezien"

"Ik ben de blinkende morgenster"
(Op.22:16).

"Voor u, die Mijn naam vreest, zal de zon van de gerechtigheid opgaan,
en er zal genezing zijn onder haar vleugelen"
(Mal.4:2).

"En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel,
als de sterren, voor eeuwig en altoos"
(Dan.12:3).



INLEIDING

In deze bijbelstudie gaat het ons opnieuw over de komst van Jezus zoals Hij is. Hij is nu levendmakende geest, zegt Paulus (1Cor.15:45). En zo wil Hij allereerst in ieders hart komen (Joh.14:15-20).

Hij is de helder stralende morgenster (Op.22:16). En Hij is de zon der gerechtigheid (Mal.4:2). Zijn "aanzien is als de zon schijnt in haar kracht" (Op.1:16). Hij zegt: "Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal nooit meer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht van het leven hebben" (Joh.8:12).

Hij wil dus ons licht zijn. Wie Hem zoekt, zal eerst Zijn ster zien. Wie overwint, ontvangt Hem als morgenster (Op.2:28). Voor wie Hem vreest en diep ontzag voor Hem heeft, zal Hij opgaan als de zon (=de levengevende ster in ons zonnestelsel). Zijn warmte en licht wordt dan steeds heerlijker merkbaar. Het levende Woord van Christus komt zo steeds rijker in ons wonen (Col.3:15-16). Dat is de "nieuwe dag", de "dag van de Heer". Het is een dag van heil en genezing, waarop de "zon" steeds helderder gaat schijnen, tot de volle dag (Mal.4:2b, Spr.4:18).



ZIJN STER ZIEN

Het oude testament eindigt met de belofte, dat de zon der gerechtigheid zal opgaan voor wie de Heer vrezen (Mal.4:2a). Het nieuwe testament begint met een ster. Wijzen uit het oosten waren naar Jeruzalem gereisd en vroegen: "Waar is de Koning van de Joden geboren? Want we hebben Zijn ster gezien en we zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen" (Mat.2:1-2).

Ze hadden Zijn ster gezien (Mat.2:2). Maar er zijn talloze sterren, zoveel, dat als alle nu levende mensen ze zouden moeten tellen, dan zou ieder er zo'n 40 miljard voor zijn rekening moeten nemen. Ook zijn er geen twee aan elkaar gelijk. En tussen die talloze sterren die je in het Verre Oosten aan de nachtelijke hemel kunt zien, hadden de wijzen een heel bijzondere ster herkend: de ster van de Koning der Joden.......

We kunnen alleen maar gissen naar wat ze precies hebben gezien. Wel weten we, dat de ster hen voorging (Mat.2:9). En ook, dat ze ervan overtuigd waren, dat er in IsraŽl een koning moest zijn geboren. Hoe konden ze dat zo zeker weten?

Ze wisten dat van ťťn van hun profeten. Eens had een koning van Moab een profeet uit het oosten laten komen met de naam Bileam, om IsraŽl te laten vervloeken. Maar in plaats van een vervloeking uit te spreken, kon hij het volk alleen maar zegenen (Num.22:5-6). Hij zei o.a.: "Ik zie Hem, maar niet nu; ik schouw Hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit IsraŽl. Hij zal heersen ...." (Num.24:17-19).

Die profeet uit het oosten had dus gezien, dat er een ster zou opgaan uit IsraŽl. Het zou dť Koning zijn. En toen de wijzen, ook uit het oosten, die bijzondere ster aan de hemel zagen verschijnen, werden ze daar ongetwijfeld aan herinnerd. Ze besloten op weg te gaan naar IsraŽl. Ze gingen op zoek naar de grote Koning.



DE KONING VINDEN DOOR ZIJN STER TE VOLGEN

De wijzen zagen een ster en dachten aan een koning. Voor hen was de ster een heenwijzing. Sterren zijn inderdaad heenwijzingen: "Dat er lichten zijn aan het uitspansel van de hemel ...... dat ze zijn tot tekenen, tot aanwijzingen" (Gen.1:14, NBG en St.Vert.).

Waar duiden sterren dan op? Waar zijn ze een teken van? Van personen, die "door God zijn gesteld om licht te geven op de aarde, en om te heersen over de dag en over de nacht en om het licht en de duisternis te scheiden" (Gen.1:17-18). God bepaalt hun baan. Hij weet hoeveel het er zijn. Hij roept hen allemaal bij naam (Ps.147:4). En Hij doet hen schijnen als lichtende sterren in een donkere wereld (Fil.2:15).

De wijzen hadden dus in de nacht "iets" gezien, dat getuigde van de komst van IsraŽls grote Koning. Van Zijn komst "is het de Geest, die getuigt, omdat de Geest de waarheid is" (1Joh.5:6). Zij gingen op reis om Hem te vinden, voorgegaan door "Zijn ster". Deze had niet alleen de (toe)komst (van Christus) aangekondigd, maar wees hen ook de weg tot de waarheid (vgl. Joh.16:13). Om de "Koning" te vinden, moet je "wijs" zijn, "uitgaan" en "Zijn ster" volgen.

Nu iets heel merkwaardigs. Wijzen uit een ver heidens land gingen Zijn ster volgen en vonden de grote Koning. Maar verder vond bijna niemand Hem, ook niet in IsraŽl (Mat.2:11). De Joden hadden talloze profetieŽn van grote en kleine profeten over de komst van de Messias, ťn de heilige tora ťn een tempeldienst die van Hem getuigde, ťn men ontving onderricht van tal van schrift- en wetgeleerden die het heel goed wisten (Micha 5:1, Mat.2:4-6). Toch zou, op een paar uitzonderingen na zoals Simeon en Anna, iedereen de komst van de Koning missen. Niemand zou Hem vinden in "Zijn huis" (vgl. Mat.2:11).

Simeon en Anna waren ook wijs (Luc.2:22-38). Op Simeon rustte de heilige Geest. Hem was door de Geest een godsspraak gegeven, dat hij de Christus zou zien, vůůrdat hij stierf (v.26). "En hij kwam door de Geest in de tempel" (v.27). DŠŠr zag hij in Jezus het heil van God "voor alle volken, licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor IsraŽl" (v.31-32). Ook Anna, die "God onafgebroken diende in de tempel met vasten en bidden, nacht en dag kwam erbij staan" (v.37-38). Ook zij herkende Hem die verlossing zou bewerkstelligen. Ze vonden de Koning in Zijn huis.

Het vinden van de Koning is geen zaak van religieus zijn, of van het perfect kennen van alle profetieŽn. Het is een zaak van letten op de leiding van "Zijn ster". De wetgeleerden bestudeerden ijverig de schrift. De farizeeŽn zetten zich in om de leer zuiver te houden. Ze zagen er streng op toe, dat godsdienstige gewoonten en voorschriften werden nageleefd. Ieder was daar zů druk mee bezig, dat men Gods Geest helemaal niet opmerkte en dus ook niet kon volgen. Ze volgden hun verstand, hun traditie, hun opvattingen.

Ook nu blijkt dat vaak zo te zijn. Veel mensen gaan trouw naar de kerk en kennen de verhalen uit de bijbel, zonder ooit Zijn ster te hebben zien schijnen in hun duistere nacht. Je kunt alles van de bijbel weten, alle beloften en profetieŽn kennen, op het religieuze vlak alles trouw hebben gedaan wat binnen het menselijke vermogen ligt en toch Zijn ster niet zien.

Wat Zijn ster voor ons is? Het is, net zoals bij Simeon en Anna, de innerlijke verlichting van Gods Geest zodat je de Koning herkent. De ster is niet de bijbel, de dode letter die het levende Woord omhult, niet de menselijke traditie met haar lege rites. Ook niet wat je weet via anderen, van horen zeggen. De ster is de hemelse gids tot Christus, "het profetische woord, dat schijnt als een lamp op een duistere plaats" (2Pet.1:19).

DŠt profetische Woord kwam tot de wijzen. Ze vonden de Koning niet, omdat ze dagelijks in hun bijbeltje zaten te lezen. Ze wisten alleen iets van een vroegere profeet en door Gods Geest bleef dat in hun gedachten haken. Het profetische woord begon als een olielampje in hun hart te schijnen en werd een levende hoop. En toen ze Zijn ster zagen, gingen ze op weg en maakten, net als Abraham, een reis van oost naar west. Het was kennelijk een lange reis, want tussen de tijd, dat ze de ster hadden ontdekt en hun aankomst in Jeruzalem, lagen twee lange jaren (Mat.2:16).

Onderweg moeten de wijzen zijn gaan redeneren, in de trant van: "De nieuwgeboren koning in IsraŽl moet vast te vinden zijn in de hoofdstad van IsraŽl, Jeruzalem". En ja hoor. Er woonde in Jeruzalem inderdaad een koning. Dat was Herodes, niet de Koning die de ster bedoelde. Kennelijk waren de wijzen al reizend ook afgegaan op hun verstand en waren daardoor Zijn ster uit het oog verloren. Want toen ze in Jeruzalem aankwamen, hadden ze die al een tijd niet meer gezien. Ze moesten dus bij mensen te rade gaan. Uiteindelijk konden schriftgeleerden op grond van hun kennis van de profeten zeggen, dat de langverwachte Koning in Bethlehem zou worden geboren (Mat.2:4-6, Micha 5:2). Daar stuurde Herodes, de aardse koning der Joden, hen dan ook heen.

Wie is die "Herodes"? Hij is de antipool van de hemelse Koning, een type van de antichrist die van alle hemelse realiteiten een religieuze, aardse namaak creŽert. Zijn naam betekent landbouwer en zijn natuur is als die van KaÔn, die immers een landbouwer was en die "vruchten van de aarde aan de Heer offerde" (Gen.4:2). Herodes had de aardse tempel schitterend verfraaid, maar probeerde de ware tempel van God, Christus, te vermoorden. Herodes was een vos, een gruwelijke moordenaar, een sluwe verfraaier van de zichtbare tempel (Luc.13:32, Mat.2:16-18, Marc.13:1-2). En hij was overspelig gehuwd met een afvallige vrouw (=een type van Babylon, Mat.14:3-4).

Herodes was dus de aardse koning van de Joden. Hij woonde in een aards Jeruzalem, "dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot haar gezonden zijn" (Mat.23:37). Men kan er de ster van de grote Koning niet zien. Ook de wijzen niet. Pas toen ze van Herodes weggingen, zagen ze de hemelse gids wťl weer (Mat.2:10). En "de ster, die ze hadden gezien in het oosten, ging hun weer voor, totdat ze kwam te staan boven de plek waar het kind was" (Mat.2:9).

Weet u waar dat was? Niet in Jeruzalem. Ook niet (meer) in Bethlehem, wat de overpriesters en de schriftgeleerden dachten en waar Hij geboren werd in een stal. Ze volgden Zijn ster en vonden Hem in een huis. Dat was naar alle waarschijnlijkheid in Nazareth, ongeveer twee jaar na Zijn geboorte (vgl. Mat.2:16).

Wat is er in tweeduizend jaar weinig veranderd! Ook nu is het gros van Gods volk niet op z'n hoede geweest voor "Herodes" (Marc.8:15). Het is geheel en al van zijn zuurdesem doortrokken! Hoe aards is haar gemeentevisie! Hoe Herodiaans zijn haar werken! Hoe verblind zijn haar ogen door de uiterlijke dingen, die hij haar voorhoudt. Herodes! Bewerker van de aarde, die aardse vruchten voortbrengt in plaats van hemelse. Om de ware Koning te vinden, moeten we net als de wijzen Herodes verlaten. Dan zal Zijn ster ons weer verder leiden.

Want Zijn ster laat zich ook zien in onze tijd. Ook nu mogen we als wijzen Hem volgen op grond van het licht aan de hemel, dat de hemelse Vader ons geeft (Mat.16:16-17). Ook nu nog spreekt Hij het profetische woord (2Pet.1:20-21). We doen er goed aan "er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats" (2Pet.1:19). Want dŠŠrop bouwt Jezus Zijn Gemeente (met hoofdletter!): op de petra van goddelijke openbaring (Mat.16:17), op het zien van Zijn ster, op het acht geven op het levende en profetische woord, op openbaring door de Vader die in de hemelen is (Mat.16:18). Door die ster te volgen zullen ook onze ogen de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen in Zijn Huis (Jes.33:17, Ps.27:4). Dan zijn ook wij als de wijzen.



WAKKER WORDEN EN OPSTAAN

Een ster verschijnt in de nacht. Je moet dus wakker zijn en uit je bed komen om hem te zien. Wie geestelijk blijft doorslapen, zal nooit "Zijn ster" zien en de "Koning" vinden in "Zijn huis". Dan merk je nooit, dat Jezus in "Bethlehem" (=broodhuis) als "brood uit de hemel" is gekomen in de kribbe voor "de schapen". Zo was het bij Jezus' komst in Bethlehem wel. Overal lag men lekker te slapen. Niemand merkte iets van Zijn komst.

Alleen "herders, die zich ophielden in het veld en 's nachts de wacht hielden over hun kudde", hoorden een engel van de Heer zeggen: "Ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Heer, in de stad van David. En dit zal u u een teken zijn: u zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe" (Luc.2:10-12). En ja hoor, zo vonden ze Hem, als kind in een voerbak. Ze vertelden het aan iedereen die inmiddels wakker was geworden (Luc.2:16-18).

Het is allemaal waar gebeurd, als profetische geschiedenis. Allen, die nu in hun "huis" of in de "herberg" van de "stad" liggen te "slapen", merken niets van Jezus' komst. Alleen "herders" in het "open veld", die "in de nacht" waken over hun "schapen" horen van "de komst van de Heiland". Ze "vinden" Hem als "voedsel" voor hun "schapen", in de "voerbak" in "Bethlehem" (=broodhuis). Iedereen die "wakker" wordt zal met blijdschap het getuigenis van die "herders" aanvaarden. Ziet u de overeenkomst van "wijzen uit het oosten" met "goede herders"? Beiden hebben "gewaakt". Beiden laten alles achter om Jezus te vinden.

Maar nu het verschil. Goede herders gaan naar Bethlehem en vinden er de Heiland in een kribbe, op grond van wat ze gehoord hadden van een boodschapper. Dat is pure genade: ze komen er met lege handen. Maar wijzen vinden de Koning, op grond van wat ze (geestelijk) hebben gezien. Die geestelijke kennis houden ze steeds voor ogen. Ze "zien" Zijn ster en blijven die volgen, dag in, dag uit, totdat ze komen waar Hij is (Mat.2:9). Dat is geen "stal", maar een "huis" (Mat.2:11). Daar ontsluiten ze hun kostbare geschenken, die alle een diepe symbolische betekenis hebben: "goud", "wierook" en "mirre" (Mat.2:11). Wijzen!

Ook Jezus' "twee" eerste discipelen waren "wijs". Ze waren eerst bij Johannes de Doper. Maar toen deze zei: "Zie het Lam van God", gingen ze naar Jezus toe en vroegen Hem: "Meester, waar houdt u verblijf? Waar woont u?". En Jezus zei: "Kom, en jullie zullen het zien" (Joh.1:35-40). Ze gingen met Hem mee en zagen, waar Hij woonde: in de Vader! En ze bleven die dag bij Hem (Joh.1:40).

Zijn wij ook wijs, zoals de wijzen uit het oosten, Simeon, Anna en deze twee discipelen? Wees dan wakker! "Waak dan, want u weet de dag noch het uur. Sta klaar, want op een uur dat u het niet verwacht, komt de Zoon des mensen" (Mat.25:13, 24:42-44).

We denken even door over het woord waken. Is dat letten op, op tekenen der tijden bijvoorbeeld? Is dat uitzien naar, naar natuurlijke gebeurtenissen? Moeten we uitkijken naar een natuurlijke wolk van waterdamp aan de blauwe lucht, omdat Hij heeft gezegd, dat Hij komt met de wolken (Mar.13:26)? Moeten we Zijn komst in de tijd uitknobbelen, door een hoop rekenwerk met tijden en datums, zoals zo velen dat (tevergeefs) hebben geprobeerd en nog doen? Moeten we letten op politieke ontwikkelingen in het Midden Oosten, oorlogen, terreurdaden, epidemieŽn, hongersnoden en aardbevingen om te weten wanneer Hij komt?

Nee, als wij die dingen op aarde zien gebeuren, moeten we ons "oprichten", onze "hoofden omhoog heffen", want onze verlossing genaakt (Luc.21:28). We moeten toezien op onszelf en ons "oog" "zuiver" houden (Mar.13:9, Luc.11:34). We moeten geestelijk wakker blijven, opstaan, "Zijn ster" volgen en de weg banen voor Zijn komst in ons hart (Mar.13:33-36, Ps.84:5). En zingen: "Gezegend Hij, die komt, de Koning, in de naam des Heren" (Luc.19:38). Dan "zien" we Hem in ons binnenste komen, om er Zijn heerschappij uit te oefenen. Dan zien we Zijn koningschap in ons komen. En weten we als wijzen, hoe rijk de heerlijkheid is van dit geheimenis: Christus in ons, de hoop der heerlijkheid (Col.1:27, vgl.Dan.12:3).

Waak! Nee, we hoeven niet op iets natuurlijks te letten. Griekse woorden daarvoor komen wel in de bijbel voor (tereo en paratereo). De Joden "letten op Hem (paratereo=zorgvuldig observeren) of Hij op de sabbat genezen zou, om Hem te kunnen aanklagen" (Mar.3:2). En de soldaten bij het kruis moesten bij Jezus waken (tereo= zorgvuldig letten op, Mat.27:36,54). Maar deze woorden worden nooit gebruikt in verband met Jezus' komst. Dan wordt gregoreuo gebruikt, wat betekent wakker zijn, waakzaam zijn, opgestaan zijn, in tegenstelling tot liggen te slapen.

Jezus vroeg Zijn discipelen in Gethsťmane om samen met Hem wakker te blijven. Maar toen Hij bij hen terug kwam, lagen ze te slapen (Mat.26:38-41). En ook tot Zijn gemeente zegt Hij: "Ik weet jullie werken, dat je de naam hebt, dat je leeft, maar jullie zijn dood. Wees toch wakker. Bewaar, wat je van Mij hebt ontvangen en bekeer je" (Op.3:1-3). Wees wakker, sta op en richt uw hoofd omhoog. Als u Zijn ster herkent, blijf die dan volgen tot waar Hij is.



DE MORGENSTER ONTVANGEN

We kunnen niet alleen Zijn ster zien en die als wijzen volgen. We kunnen ook de morgenster ontvangen. De Heer belooft die te geven aan wie overwint (Op.2:28). Wat zou dat betekenen?

Eerst dit: wat is eigenlijk de morgenster? Kun je die ook met het natuurlijke oog aan de nachtelijke hemel zien? Ja, wie vroeg wakker is, kan vlak voor het aanbreken van de dag een zeer helder hemellichaam zien, Venus. Ze kondigt als het ware een nieuwe dag aan en zegt: "De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij" (vgl. Rom.13:12). Ze blijft steeds helder zichtbaar, totdat de zon ook haar uiteindelijk doet verbleken.

Ja maar, zult u zeggen, Venus is toch geen ster, maar een planeet. Een planeet straalt toch geen licht uit! Ja, dat is helemaal waar! Een planeet is geen lichtbron. Ik heb me door een kenner laten uitleggen, dat vroeg in de ochtend de stand van Venus ten opzichte van de zon en de aarde zodanig is, dat ze de helderste ster aan de hemel lijkt, omdat ze heel helder het licht van de zon weerkaatst. De morgenster heeft zelf geen licht. Ze weerkaatst het licht van de komende zon en kondigt zo de nieuwe dag aan.

Eertijds, voordat Jezus als "zon der gerechtigheid" op aarde begon te schijnen, werd hij aangekondigd door een "morgenster". Dat was Johannes de Doper. Leest u maar mee: "Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam om van het licht te getuigen. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld" (Joh.1:6-9).

Johannes was een mens, de grootste ooit uit vrouwen geboren (Mat.11:11). Hij getuigde van het ware licht, dat zou komen om ieder mens te verlichten, zoals Venus dat doet van de zon. Aan Johannes was de positie van de morgenster gegeven om te getuigen van het komende Licht, dat alle mensen zou beschijnen.

Johannes de Doper was dus een morgenster, ťťn man. Maar nu belooft Jezus de morgenster te geven aan iedereen, die overwint (Op.2:28). Hij geeft aan iedereen die "vasthoudt wat hij heeft" en die "Zijn werken tot het einde toe bewaart" de positie van morgenster te zijn, om de komst van het volle licht aan te kondigen (Op.2:25-26). Het is een bediening, zoals Johannes de Doper die had, maar wel met een verschil.

Het verschil? Johannes kondigde de nieuwe dag aan voor IsraŽl. Maar nu ontvangen overwinnaars de morgenster als eindtijdbediening, die niet alleen bestemd is voor IsraŽl, ook niet voor IsraŽl en alle gelovigen samen, maar voor alle volken. Er staat namelijk niet alleen: "Ik zal hem de morgenster geven" (Op.2:28). Maar ook: "Ik zal hem macht (Grieks: exousia = authoriteit) geven over de heidenen, over de natiŽn" (Op.2:26). "Hij zal hen hoeden" (Op.2:27).

Over alle natiŽn! Daar hoort ook het ongehoorzame volk van God bij, "dat de vrouw Izťbel laat begaan" (Op.2:20). De Heer belooft de morgensterbediening namelijk in "Thyatira", waar men de "hoer" (=het Babylonische denken) laat profeteren en leren, en waar Gods knechten worden verleid (Op.2:20-23). De nieuwe morgenster zal alle volken oproepen zich te bekeren, ook het volk van Thyatira. Alle volken worden gehoed. Want Jezus "is een losprijs voor allen" (1Tim.2:6). "Voor Hem zal alle knie zich buigen en alle tong zal God loven" (Rom.14:11). "Ik zal de morgenster geven" om voor de natiŽn de komst van de zon der gerechtigheid aan te kondigen.

Is Jezus ook een morgenster als Venus? Nee, Hij is veel meer. Hij is de "ster, waarop wij schouwen", maar ook de "zon die ons geneest". In tegenstelling tot elke andere wegbereider noemt Jezus Zichzelf de blinkende, helder schijnende en stralende morgenster (Op.2:28). Ook Hij heeft aan het begin van Zijn optreden de komende dag aangekondigd. Hij begon met precies dezelfde boodschap, die Johannes de Doper ook bracht: "Van toen aan (=na de verzoekingen in de woestijn) begon Jezus te prediken: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen" (Mat.4:17). Maar Hij is niet zomaar een aankondiger van de nieuwe dag. Hij is mťťr dan wat of wie dan ook uit het oude verbond (Mat.12:6,41,42). Hij is tevens de Bron, het Licht van de "dag". Hij is blinkende morgenster en zon.

Altijd hebben Zijn functies een extra dimensie. Hij is het ware brood (Joh.6:32), ware spijs en drank (Joh.6:55), de goede herder (Joh.10:11), de ware wijnstok (Joh.15:1). Hij is "het licht des levens" (Joh.8:12), het waarachtige licht, dat alle duisternis verdrijft (Joh.1:5). Hij is niet alleen het levende "profetische woord, dat is als een lamp die schijnt in een duistere plaats" (2Pet.1:19), als "een lamp voor onze voet", voor elke stap, maar ook "een licht op ons (levens)pad" (Ps.119:105). Hij is ster en zon.

Word daarom wakker. "Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer zal over u opgaan" (Jes.60:1). "Ontwaak en sta op (van)uit de doden (om u heen) en Christus zal over u lichten. Zie nauwlettend toe, hoe u wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, en tracht te verstaan, wat de wil van de Heer is" (uit: Ef.5:14-17).



EEN STER ZIJN

De planeet Venus en de maan kunnen het licht van de zon weerkaatsen. Met sterren is dat anders. Sterren zijn lichtbronnen. Wie tot ster is gemaakt, schijnt als lichtbron het licht van het hemelse Jeruzalem uit in de duisternis om hem heen (Dan.12:3, Op.21:11).

Jezus is een bron en Hij maakt de Zijnen tot bronnen. Zelf gebruikt Hij het voorbeeld van een waterbron. Hij zegt: "Het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh.4:14). We lezen ook, dat het geboomte des levens in het hemelse Jeruzalem tot een bron van genezing is gemaakt voor alle volken (Op.22:2).

Wie het Lam volgen, blijven niet alleen Zijn licht weerspiegelen. Jezus maakt hen tot sterren, tot licht van de wereld (Mat.5:14). Hij roept al die sterren bij naam (Ps.147:4). Net zoals Hij de Zijnen "bij naam roept en naar buiten leidt", de schaapskooien uit, om hun leven (=licht) te geven (Joh.1:4 10:3). "Wanneer Hij Zijn eigen schapen allemaal naar buiten gebracht heeft, gaat Hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij Zijn stem kennen" (Joh.10:4). Ze kennen Zijn stem. Ze zien Zijn ster. En ze worden een ster.

Wat een verademing. Weg uit de engte van de "schaapskooi", waar "schapen" worden samengedreven voor "de nacht" en waar het altijd een gedrang is van jewelste. Weg van de strijd, die daar voortdurend woedt. Weg van de "dieven", "rovers", "vreemden", "huurlingen" en "wolven in schaapskleding". Het wordt ťťn Herder, het Licht. Het wordt ťťn kudde, met leven in overvloed.

Wie die kudde is? Zijn eigen schapen, de Zijnen dus (Joh.10:3b). Het is een "uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, dat uit de duisternis is geroepen tot Zijn wonderbaar licht" (1Pet.2:9). Ze "zijn nu licht in de Heer en wandelen, Hem volgend, als kinderen van het licht" (Ef.5:8). Ze vormen samen de tempel in de hooggelegen stad die niet verborgen kan blijven" (Mat.5:14). Het zijn zij die overwinnen (zie o.a. Op.2:7).

Wij, mensen dus, kunnen gemaakt worden tot sterren. We lezen dat al in het eerste bijbelboek. Jozef (=Jezus, de eerste uit vele broeders) droomde, dat elf sterren (zijn elf broers) zich voor hem neerbogen (Gen.37:9). En in het laatste bijbelboek zag Johannes "een groot teken in de hemel (=geestelijke wereld): een vrouw (= ware Gemeente), met de zon (der gerechtigheid) bekleed, met de 'maan' onder haar voeten en een krans van 'twaalf sterren' op haar hoofd" (Op.12:1). Haar denken wordt volkomen bepaald door sterren. Het zijn de 'lichten', "de wijzen, die velen tot gerechtigheid hebben gebracht en die stralen als sterren voor eeuwig en altoos" (Dan.12:3).

Paulus roept de Filippenzen op, om "onberispelijk en onbesmet te zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht", opdat ook zij zouden "schijnen als lichtende sterren in de wereld" (Fil.2:15). En wat voor hen toen gold, geldt ook voor ons nu.



2 PETRUS 1:16-21 en MATTHE‹S 17:1-5

Petrus vertelt, hoe hij ooggetuige was van de majestueuze kracht en de komst van de Heer Jezus Christus. Hij en twee andere discipelen hoorden een stem uit de hemel toen ze met Hem op een berg waren. Van wat ze daar zagen en hoorden, zegt hij: "We hebben het profetische woord dat zeer zeker is, en u doet er goed aan om er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanlicht" (2Pet.1:19, St.Vert.).

Eerst dit: met het zekere profetische woord, waar Petrus over spreekt, doelt hij niet louter op profetieŽn in de bijbel, maar op wat hij zelf zag en hoorde "bij Jezus op de berg". Wat probeert hij uit te leggen? "Eertijds had God vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken in de profeten" (Heb.1:1a). "Door de heilige Geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken" (2Pet1:21). Dat kunnen we lezen in de Schrift. En wat ze profeteerden, mogen we nooit eigenmachtig uitleggen (2Pet.1:20). Maar, God sprak op de berg der verheerlijking opnieuw. Terwijl hij ooggetuige was van Jezus' majesteit, hoorde hij God ook tot Hem zeggen: "Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem!" (Mat.17:5).

Nu hoorde en zag hij niet via mensen, maar door goddelijke openbaring. Dat bevestigde en maakte wat de profeten gesproken hadden nůg zekerder. Het was, alsof er een lamp begon te schijnen in zijn eigen hart. Hij had Gods stem gehoord. Hij had gezien, dat "Jezus' gelaat straalde als de zon" (Mat.17:2). Het wekte de hoop, dat Jezus als zon der gerechtigheid zou opgaan en een nieuwe dag zou brengen. De herinnering aan wat God hem toen had getoond, werd in hem als een licht, dat ging schijnen totdat de volle dag zou aanbreken en de zon (Gr.: phosphoros =lichtbrenger) zou opgaan in zijn hart (2Pet.1:19b, Mal.4:2).

Het is jammer, dat men phosphoros in 2 Petrus 1:19 heeft vertaald als morgenster. Het moet zijn zon. Het tot ons persoonlijk gesproken woord is als een zon die de duisternis verdrijft. Dan breekt "de dag van de Heer" aan door het steeds groeiende leven van Christus in ons. Hij is als de opgaande zon, als de phosphoros in onze harten.

Men zag in Petrus de realiteit daarvan later. De phosphoros was zů in hem aanwezig, dat het licht ervan hem uitstraalde! "Men droeg de zieken op straat en legde hen op bedden en matrassen, opdat ook maar zijn schaduw (=de uitstraling van Christus) op iemand van hen zou vallen" (Hand.5:15). De genezende kracht was niet zijn schaduw omdat hij in de zon liep. Het was de afschaduwing en de uitstraling van het Zonlicht dat in hem was.

We staan nog even stil bij wat er gebeurde "in de eenzaamheid met Jezus". De "drie" discipelen die Hij "op de hoge berg had geleid", waren Joden. Ze hadden hun leven lang God geŽerd in hun synagogen en in de tempel in Jeruzalem. Ze kenden Mozes en de profeten. Bovendien waren ze al een paar jaar discipelen van Jezus. Ze leerden van wat Hij deed en zei. Zijn woorden waren geest en leven (Joh.6:63). Maar wat maakten ze toen mee?

Ze zagen, dat "Zijn gedaante veranderde en dat Zijn gelaat straalde als de zon en Zijn klederen wit werden als het licht" (vers 2). "Hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken" (vers 3). De lichtende wolk van Gods heerlijkheid kwam over hen heen (vers 5a). En uit die wolk hoorden ze een stem: "Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! (vers 5b). De wet (=Mozes) en de profeten (=Elia) hadden van Jezus getuigd. Nu verscheen Jezus als het licht van een nieuwe dag. Voortaan zou gelden: "Luister naar Hem". Dat alles ervoer Petrus als een lamp die in zijn hart ging schijnen, als een heerlijk, hoopvol, profetisch woord, dat als een ster de nieuwe dag aankondigde. Op die dag is Christus in ons, de hoop der heerlijkheid (Col.1:27). Op die dag leer je Hem te zien van aangezicht tot aangezicht (1Cor.13:12).

Hoe is het nu met ons? Ook wij kennen de bijbel, toch? En wij eren de Heer in kerken en gemeenten. Maar volgen we Hem, waar Hij ook heen gaat? Is Zijn Woord voor ons geest en leven? Neemt Hij ons mee de berg op? (vgl. Op.14:1). Hebben ook wij dat vastere woord, dat Hij persoonlijk tot ons spreekt? Zien wij die ster in onze donkere nacht verschijnen? Verwachten wij de nieuwe dag, "de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken" (Titus 2:13-14)?

"Een eigen volk volijverig in goede werken!" Duidelijk blijkt uit deze woorden, dat de verschijning van de heerlijkheid van de Heer niet alleen voor later is, in de hemel. Hij wil een eigen volk op aarde, nu, voor het doen van goede werken vanuit de hemelse gewesten. Nu mogen we de "zon" in ons leven laten schijnen. Hij is onze hoop der heerlijkheid (Col.1:27). Nu is het de dag van het heil! (2Cor.6:2).

Ja, God heeft de laatste jaren veel openbaringen gegeven, vooral in de charismatische beweging: visioenen, profetieŽn, dromen, woorden van wijsheid en kennis. Het waren allemaal lampen op duistere plaatsen om ons verder te leiden. Maar wat is ermee gedaan? Ze genegeerd? Ze veracht (1Thes.5:19)? Opgeschreven om ze in een la te leggen of in een map in de kast te bewaren? Of zijn ze voortdurend gekoesterd en overlegd in ons hart, net zoals Maria dat deed met wat de engel tot haar had gesproken (Luc.2:19,51)? Was het ook voor ons een zekerder woord, dat als een lamp bleef schijnen in ons verduisterde wezen, totdat de dag aan kon breken? Verwachten ook wij, dat de zon der gerechtigheid in ons kan opgaan tot de volle dag? Zo ja, dan wordt vervuld: "Uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer gaat over u op" (Jes.60:1-3). Nu!



ALS EEN DIEF

Toen Johannes in geestesvervoering kwam op "de dag van de Heer" zag Hij de Christus (Op.1:12-20). "Zijn aanzien was als de zon schijnt in haar kracht" (v.12). Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en wandelde tussen zeven kandelaren door (v.12-13). Die sterren in Zijn hand zijn de engelen, de boodschappers van de gemeenten. Het zijn lichtbronnen, zonen Gods. Die kandelaren symboliseren de gemeenten (Op.1:20). Ze geven ook licht, maar niet als lichtbron. Ze geven alleen licht, als Hij die tussen Hen rondgaat olie (=de heilige Geest) in hen kan gieten en hen kan aansteken.

Nu blijken alle "kandelaren" niet even goed te branden. De eerste liefde kan zijn verzaakt (Op.2:4). Men kan de vrouw Izťbel laten begaan (Op.2:20). Of men kan lauw zijn, noch koud noch heet (Op.3:15). Slechts "twee" kandelaren blijken helder te branden, die van "Smyrna" (=mirre =lijden) en die van Filadelfia (=broederliefde). Tot Sardes zegt Hij zelfs: "Als jullie niet wakker worden, zal Ik komen als een dief " (Op. 3:3). Wat zou de Heer daarmee bedoelen?

Ieder weet wat een dief wil. Hij komt om iets weg te nemen zonder dat iemand het merkt. Het is een vreemde gedachte, maar Jezus zegt, dat ook Hij tot de gemeente kan komen als dief (Op. 3:3). Wat zou Hij dan weg willen nemen? Het antwoord geeft Hij zelf: "Gedenk dan, van welke hoogte jullie gevallen zijn. En bekeer u en doe weer uw eerste werken. Zo niet, dan kom Ik om uw kandelaar weg te nemen" (Op.2:5).

Als een volk niet gelooft, wordt het van de olijfboom weggekapt (Rom.11:22b). Als een gemeente "lauw is, zal Hij haar uit Zijn mond spuwen" (Op.3:16). Als "het zout zijn kracht verliest, deugt het nergens meer toe dan om weggeworpen te worden" (Mat.5:13). Als wij de dingen die boven zijn niet meer bedenken en Jezus tot ons moet zeggen: "Jullie zijn ook al van beneden, van deze wereld!" (Joh.8:23), dan kunnen we het licht van boven niet meer zijn (vgl Mat.5:14). "Gedenk toch, van welke hoogte jullie gevallen zijn. Ik zal juliie kandelaar van zijn plaats wegnemen, als je je niet bekeert" (Op.2:5).

Als wij Zijn licht niet meer laten schijnen, omdat we "lauw" zijn geworden, of zijn "ingeslapen", of omdat we misschien wel te veel gedronken hebben van de wijn van de hoererij van Babel" (Op.17:2), of zijn beneveld door aardse beslommeringen, dan komt Hij tot ons als dief. Hij neemt de genade niet weg, want die is voor iedereen, maar wel de bevoorrechte positie om Zijn kandelaar te zijn. We zijn dan het "Zijn getuige zijn" niet meer waard.

Op het moment dat Hij de kandelaar wegneemt, merkt men daar niets van. Men vindt van zichzelf misschien wel, dat men (geestelijk) heel rijk is, maar men is eigenlijk arm, blind, naakt (Op.3:17). Dan freewheelt men geestelijk door, omdat men nog de naam heeft, dat men leeft. Maar eigenlijk is men dan levend-dood (Op.3:1). Hij kwam als een dief. Dat "de nieuwe dag" uitblijft, daar komt men later pas achter.

Velen zijn dus verzeild geraakt in "de diepe nacht" van "Babel", waar het ik regeert met zijn verduisterde verstand (vgl Ef.4:18). Van de stralende, geestelijke, waarachtige gemeente blijft slechts een menselijke structuur over, een soort vereniging, die op religieuze wijze in stand moet worden gehouden. Dan wordt er alleen nog maar gepraat en gezongen over het licht, dat al lang is geweken. Men lijkt op de schriftgeleerden uit Jezus' dagen, die als blinde leidslieden in diepe, geestelijke duisternis zaten en die hun traditionele opvattingen tot licht verhieven. Jezus zegt tot hen: "Indien nu wat licht in u is duisternis is, hoe groot is dan die duisternis!" (Mat.6:23). "Denk toch 's na van welke hoogte jullie zijn gevallen en bekeer je en doe weer je eerste werken. Maar als jullie zich niet bekeren, dan zal Ik jullie kandelaar van zijn plaats weghalen" (Op.2:5).

Het Griekse woord voor bekeren is metanoeo en betekent anders denken. Jezus bedoelt niet, dat een rooms-katholiek gereformeerd, een hervormd iemand als baptist, een evangelisch christen als pinksterbroeder moet gaan denken. Ieder moet zich bekeren tot de denkwijze van het Koninkrijk der hemelen! Wie uit de hoogte is gevallen en ter aarde is geworpen, moet zich bekeren van de weg, die de oude mens is gegaan. Ga anders denken. "Ga denken aan de dingen die boven zijn" (Col.3:2). "Laat die gezindheid (phroneo=manier van denken) bij u zijn, die ook in Christus Jezus was" (Fil.2:5). Hij leidt ons namelijk verder op de koninklijke weg die omhoog leidt, op de smalle weg ten leven (Mat.7:14).

Daarom zegt Jezus: "Zie toch toe op uzelf. Wees altijd wakker, dat u gesteld kunt worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen" (uit: Luc.21:34-36). Waar de Zoon des mensen is? "Boven", in geest en waarheid, in het Koninkrijk der hemelen dat nabij gekomen is, onder handbereik in uw hart (Luc.17:21, entos=diep binnenin). En hoe is Hij? Hoe zijn Zijn ogen? Als een vuurvlam. Zijn stem? Als een geluid van vele wateren. En Zijn aanzien? Gelijk de zon schijnt in haar kracht" (uit: Op.1:12-16). Ga anders denken! En zie toe op uzelf!



ZIE TOE OP UZELF

Jezus zegt: "Zie toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard wordt door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u komt, als een strik. Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. Waak te allen tijde, en bid dat u kunt ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld kunt worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen" (Luc.21:34-36).

Ons hart kan bezwaard worden, belast, beladen, verduisterd. Als dat is gebeurd, zegt Hij: "Kom tot Mij" (Mat.11:28-30). Hij wil dat we samen met Hem ťťn span vormen, onder Zijn juk. Dat is het zachte juk van de heilige Geest. Dan leidt Hij ons verder en bewaart Hij ons voor "roes, dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud" (Luc.21:34).

Eerst roes (Grieks: kraipale=katterigheid, zwaarte, na te veel hooi op je vork te hebben genomen). Als wij niet toezien op onszelf, wordt ons hart bezwaard, omdat we lasten op ons nemen, waarvan God niet wil, dat we die dragen. We worden erdoor beneveld, katterig. Onze waakzaamheid neemt af. "Neem Mijn juk op u. Leer van Mij", om de balans te hervinden onder Zijn juk. Dan zult u steeds horen: "Dit is de weg, wandel daarop" (Jes.30:21).

Jezus waarschuwt ook voor dronkenschap. Hij doelt op de geestelijke bedwelming, waardoor destijds bv. priester en profeet in IsraŽl geen rechte kennis hadden en openbaring niet verstonden (Jes.28:7-10). Ze waren "dronken, maar niet van wijn, waggelden, maar niet van bedwelmende drank" (Jes.29:9). Ze waren overmand door een geest van dronkenschap en diepe slaap (Jes.29:9-10). Dan ben je je niet meer bewust, wat er in de geestelijke wereld gebeurt (Jes.29:11-12).

Ook de discipelen, die met Jezus op de berg der verheerlijking waren, waren nog zo door "slaap" overmand, dat ze de heerlijkheid en de betekenis van Jezus' gedaanteverandering nog niet konden begrijpen. "Ze waren niet bedacht op de dingen van God, maar op die van de mensen" (Mat.16:23). Met hun goede bedoelingen wilden ze er drie tenten opslaan, ťťn voor Jezus, ťťn voor Mozes en ťťn voor Elia (Luc.9:28-36). Maar wie nuchter is en wakker, zal geestelijke realiteiten nooit aards willen uitwerken en "tenten opslaan". Zodra de gedachte opkomt en wordt geuit, komt er de stem uit de wolk, die zegt: "Luister naar Mijn geliefde Zoon, naar Jezus" (Mat.17:5), niet naar het vlees.

Wie die Babylonische, aardsgezinde denkwijze wťl heeft en aardsgericht blijft werken, wordt op den duur "stomdronken". Geestelijk inzicht vervaagt, onderscheidingsvermogen en richtingsgevoel worden hoe langer hoe minder. De wil van God wordt uiteindelijk helemaal niet meer onderkend. Zo verdwaast Babel met haar "wijn" iedereen "die op de aarde woont" (Jer.51:7, Op.18:3). Het wordt aardedonker in hem.

Verder zegt Jezus, dat zorgen voor levensonderhoud onze waakzaamheid ondermijnen. Het Griekse woord voor zorg is afgeleid van merizo, verdelen. Zorgen maken ons innerlijk verdeeld. Zorgen voor ons leven, voor onze kinderen en familie zijn te veel om op te noemen. Laat ze steeds "door gebed met dankzegging bekend worden bij God" (Fil.4:6). Jezus zegt, dat uw hemelse Vader weet, wat u nodig heeft. En Hij vervolgt: "Maar zoek eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden. Maak u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad" (Mat.6:32-34).

Ook het werk voor of in de gemeente kan zů'n zorg worden, dat het hart erdoor bezwaard wordt. "Zie toe op uzelf en kom tot Mij" zegt Jezus ook dan. Ontvlucht alle door traditie, door mensen of door uzelf opgelegde jukken. Kom tot Hem, de ware toevlucht (Ps.91:9, Heb.6:18). Leer van Hem, hoe u als priester in geest en waarheid God kunnen dienen in Zijn ware heiligdom (Heb.6:19-20). Dan kan Hij u anderen laten "zegenen in Zijn naam" (Deut.10:8). "Want u bent licht in de Heer" (Ef.5:7). "Wandel daarom als kinderen van het licht", als "wijzen" (Ef.5:8,16).



WAAK TE ALLEN TIJDE

Waak altijd, biddende, dat u kunt ontkomen aan alles wat geschieden zal en gesteld kunt worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen" (uit: Luc.21:34-36).

Ook hierbij kunnen we weer denken aan de wijzen. Ze hadden gewaakt, "Zijn ster" gezien en die gevolgd tot in IsraŽl. Maar voordat ze bij de grote Koning kwamen, waren ze bijna bij "Herodes" in de val gelopen. In Jeruzalem "hoorden ze de koning aan en reisden weg. En de ster die ze hadden gezien in het oosten ging hun voor, totdat ze kwam te staan boven de plaats, waar het kind was" (Mat.2:9). Toen ontmoetten ze de ware Koning! "En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze langs een andere weg terug naar hun land" (Mat.2:12). Ze wisten te ontkomen door Zijn ster, door het verstaan van goddelijke openbaring.

Het Griekse woord voor ontkomen is ekpheugo en betekent: een veilige uitweg zoeken. Wat is de veilige uitweg? Het is de toevlucht tot Jezus (Ps.73:28). Op de vlucht naar Hem toe zal Gods Geest ons leiden. "Waak te allen tijde, en bid dat u gesteld kunt worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen". Daar "zien" (=kennen) we Zijn heerlijkheid, aanschouwen we Zijn liefelijkheid in Zijn huis, al de dagen van ons leven (Ps.27:4). Daar zien we Hem "van aangezicht tot aangezicht" (vgl.Deut.34:10, 1Cor.13:12). Dan zien we "de Koning in Zijn schoonheid en een wijd uitgestrekt land" (Jes.33:17). Dan ervaren we "ruimte", "grazige weiden met rustig water" waar het ťťn kudde en ťťn herder is" (Ps.18:19, 23:1-2, Joh.10:16).

Op u, mijn Heiland, blijf ik hopen.
Verlos mij van van mijn bange pijn!
Zie, heel mijn hart staat voor u open
en wil, o Heer, uw tempel zijn.
O Gij, wien aard' en hemel zingen,
verkwik mij met uw heil'gen gloed.
Kom met uw zachte glans doordringen,
Zon van liefde, mijn gemoed!
(Liedboek 118)

Laten wij daarom toezien op onszelf, altijd geestelijk wakker zijn en voortdurend die dingen bedenken, die boven zijn, waar Christus is (Col.3:1). Want ....

Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal:
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.

De duisternis gaat wijken
van d' eeuwenlange nacht.
Een nieuwe dag gaat prijken
met ongekende pracht.

Paulus zegt, dat, wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, ook wij met Hem zullen verschijnen in heerlijkheid (Col.3:4). Daarom heet het: "Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten" (Ef.5:14). "Sta op, Mijn volk. Laat uw licht schijnen, want de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Een duisternis, zwart als de nacht, zal alle volken van de aarde omhullen, maar de glorie van de Here zal van u afstralen. Alle volken zullen op uw licht afkomen, om uw stralende opgang te zien" (Jes.60:1-3, NBG en Het Boek).



Home page