Home page



Hij
komt
op een wit paard



"Ik zag
een wit paard komen,
met daarop de Getrouwe, de Waarachtige,
het Woord van God, de Koning der koningen, de Heer der heren.

En de heerscharen die in de hemel zijn,
volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en vlekkeloos fijn linnen"
(uit Op.19:11-16).

"Zij zijn geroepen, en uitverkoren, en getrouw, om met het Lam het beest te overwinnen"
(naar Op.17:14).


INLEIDING

De berijder van het witte paard is Jezus, de Zoon van God. Zijn positie in dit visioen is vol betekenis: Romeinse veldheren reden na een overwinning een tromftocht door de keizerlijke stad op een sneeuwwit paard. Hier verschijnt Jezus op een wit paard. Hij heeft glorieus over de vijand gezegevierd!


HET PAARD

We lezen in Exodus, dat "Egypte" met "600" "paarden" Isral tevergeefs trachtte te achterhalen (14:7). "Egypte" symboliseert het domein van het "vlees", "6" is het bijbelgetal van de mens, "het paard" duidt op de kracht van het "vlees". "God heeft geen welgevallen aan de kracht van paarden" (Ps.147:10).

Daarom had Hij bepaald, dat een koning in het beloofde land niet veel paarden mocht houden. Hij mocht niet naar Egypte om daar paarden te kopen, want de Heer had gezegd: "Op deze weg mogen jullie niet terugkeren" (Deut.17:16-17). Ze "brengen geen overwinning, hun kracht geeft geen redding" (Ps.33:16-17, vgl.Zach.4:6).


HET WOORD GODS OP HET PAARD

Als het begrip paard duidt op het "vlees" dat God niet kan behagen, hoe kan Jezus daar dan iets mee te maken hebben? Johannes ziet Hem toch komen op een paard?

Het antwoord is niet zo moeilijk. "Het Woord is vlees geworden" (Joh.1:14, Rom.8:3, Hebr.2:14). Jeshua werd mens, in alle opzichten aan ons gelijk (Ps.139:3, Hebr.2:17). Maar Hij kreeg macht "over alle vlees" (Joh.17:2). Hij leerde "het paard" volkomen te beheersen. Hoe?

Hij wist in de "30" jaar in Nazareth (nazar=apartgezet, afgezonderd) van jongs af aan "het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen" (Jes.7:15). Steeds was Hij bezig met de dingen van de Vader en werd al als kind krachtig en vervuld met wijsheid (Luc.2:40,49). Hij "gehoorzaamde de Vader in alles wat Hij als mens doormaakte" (Hebr.5:8). "Zo nam Hij toe in wijsheid, grootte en genade bij God en bij mensen" (Luc.2:52). En zo ontving Hij macht over "al het vlees" (vgl.Joh.17:2).

Na die voorbereidingstijd werd Hij door de Vader tot Zijn Zoon verklaard. "Dit is Mijn Zoon in Wie Ik welbehagen heb", getuigde Hij, toen Jezus zich door Johannes de Doper had laten dopen. "Hem geef Ik nu alles in handen" (vgl. Joh.3:35, 13:3).

Nu terug naar het visioen van Openbaring 19. Daar zien we het Woord van God en de Zoon des mensen in volmaakte harmonie. De Zoon van God heeft het vlees volkomen in toom. Hij heeft alles van het "paard", elke vleselijke neiging en elk ziels verlangen volledig in bedwang (Mat.4:1-11, Joh.17:2, vgl.Hebr.4:15).

Voor velen is de Heer Jezus alleen maar een goed mens geweest, een groot profeet. Door dat te denken, denkt men veel te laag van Hem. Hij was veel mr dan dat. Uiteindelijk "woonde in Hem de volheid van God lichamelijk" (Col.2:9, Mat.12:6, 41-42). Hij was een menselijke tempel geworden voor God. Wie Hem zag, zag de Vader! (Joh.14:9).

Voor anderen is de Heer Jezus uitsluitend goddelijk. Hij was Gods Zoon, dus was het voor Hem niet zo moeilijk om over de zonde te zegevieren. De Heer wordt in deze opvatting op n lijn gezet met bijvoorbeeld een Griekse god als Hercules, die vanuit het godenrijk neerdaalde en alles kon. Die deed een paar fantastische wonderen en keerde daarna weer terug naar de godenwereld.

Zo'n idee hebben veel mensen ook over Jezus. Het was hl wat voor Hem om naar de aarde te komen, dat wel, maar, denkt men verder, Hij kon een rein leven leiden. Hij kon gemakkelijk over de zonde heersen. Voor Hem was het niet zo moeilijk als voor ons, om altijd het oog gericht te houden op de Vader. Hij was immers Zijn Zoon. Dit hellenistische denken is algemeen verspreid in het geestelijke Babylon en dat doet Hem zeer veel te kort.

In Zijn aardse bestaan ging niets zo maar. Als geen ander heeft Hij strijd gekend. "In alle dingen is Hij op gelijke wijze verzocht geweest als wij" (Hebr.4:15). Geen enkel aspect van verzoeking of beproeving is Hem bespaard gebleven. Jezus, die veelvuldig zoon van David wordt genoemd, was net als David een man van veel en grote conflicten. "Hij was een man van smarten, vertrouwd met ziekten" (Jes.53:2). Met alle menselijke strijd was Hij bekend. Maar in alle verzoekingen, beproevingen en verleidingen is Hij staande gebleven! Vandaar, dat er staat: "De leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen" (Op.5:5). Ja, de Heer had Zijn "lichaam aan dat der zonde gelijk" volkomen in toom. "Zie, een wit paard en Hij die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, het Woord van God" (Op.19:11-13).


EEN WIT PAARD

De kleur van het paard is wit, wat uiteraard heenwijst naar de reinheid en de heiligheid, die Jezus als mens had door de heilige Geest.

Wit spreekt ook van licht, van innerlijke verlichting. Dit is niet alleen een kenmerk van de Zoon van God, maar ook van de zonen Gods, van de vele broeders die "in Christus" zijn en die Hem volgen waar Hij ook heen gaat. We lezen: "Ik raad u aan van Mij te kopen witte kleren om die aan te doen" (Op.3:18). Dat hebben ze gedaan, want ze zijn "gehuld in wit en smetteloos fijn linnen"! (Op.19:14).

Dit doet denken aan de heerlijkheid van de Heer Jezus, die zichtbaar werd op de berg der verheerlijking. Zijn gedaante veranderde voor de ogen van de discipelen, Zijn gelaat ging stralen als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht (Mat.17:2). Het Licht van Zijn heerlijkheid brak door naar buiten. Wat door het vlees versluierd was, werd ontsluierd.

Zo rijdt het Woord van God overwinnend voort, licht brengend en strijdend in gerechtigheid. Iedere manoeuvre verloopt volgens plan. "Hij schrijdt fier voort in Zijn grote kracht. Hij is het, die in gerechtigheid spreekt, machtig om te verlossen" (Jes.63:1).


DE STRIJD

Eens zei iemand, dat hij geloofde dat Jezus letterlijk zou neerdalen uit de hemel op een wit paard. "Jezus Christus heeft het paard geschapen", zei hij, "en als hij door de wolken wil rijden op een wit paard, dan kan Hij dat vast en zeker".

Wat een gebrek aan geestelijke kennis! (Hos.4:6). Want God is Geest en Zijn Woord gaat over geestelijke realiteiten. Dr moeten we de bijbel consequent op toepassen, op het geestelijke bestaansniveau. Veel mensen vinden, dat je het Woord van God niet mag "vergeestelijken", terwijl ze zich niet realiseren, dat ze zelf het Woord Gods steeds maar weer aan het "vervleselijken" zijn.

Want, zei de Heer Jezus, "de woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en leven" (Joh. 6:63). We moeten de dingen die "boven" zijn bedenken (Col.3:1-2). Het gaat om geestelijk inzicht. Maar "Mijn volk heeft geen inzicht", zegt de Heer (zie Jes.1:3-4). De bijbel beschrijft dus geestelijke realiteiten door middel van profetien, geschiedenissen, wondertekenen en symbolen. De vervulling daarvan leest u niet in de krant, maar kunt u zien komen in de levens van gehoorzame broeders en zusters.

De veldtocht van het visioen in Openbaring 19 beschrijft ons geen wereldse strijd. Het strijdtoneel dat Johannnes zag, was tussen licht en duisternis, tussen geest en vlees, tussen de gezindheid van Christus en de gezindheid van het vlees, tussen waarheid en leugen, tussen leven en dood. Die strijd moet in ons gewonnen worden, opdat Jezus in ons openbaar kan worden. Dr gaat de bijbel over, in klinkklare symbolentaal.

Die geestelijke strijd heeft de Heer Jezus oneindig veel intensiever gevoerd dan wie ook. Hij heeft alle macht van de wereld, van religie, van het vlees en van satan overwonnen (Mat.28:18). Hij heeft tijdens Zijn leven elke "zonde veroordeeld in het vlees" (Rom.8:3). En omdat Hij dat deed tijdens Zijn aardse bestaan, kon Hij de weg tot volledige overwinning banen voor iedereen die Hem volgen wil (Rom.8:37).

De apocalyptische beschrijving van Zijn komst op een wit paard om te strijden tegen "het beest en de koningen van de aarde" is dus geen "aardse" oorlog met wapens van staal en ijzer. Zijn "Koninkrijk is niet van deze wereld. Als dat zo was, zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd. Mijn Koninkrijk is niet van hier, niet van deze wereld" (Joh.12:36). "De wapenen van onze srijd zijn niet vleselijk" (2Cor.10:4).

Het is dus vanzelfsprekend, dat onze strijd ook geestelijk is. De witte ruiter moet "ons wereldje" binnenrijden. "Heft, poorten, uw hoofden omhoog en verheft u, opdat de Koning der ere inga. Wie is Hij toch, de Koning der ere? De Heer der heerscharen, sterk en geweldig; geweldig in de strijd, Hij is de Koning der ere" (Ps.24:7-19).

"Welzalig de mensen die in hun hart de gebaande wegen hebben" waarop Hij mag binnenrijden! (Ps.84:6). Als Hij komt, wordt strijd vrede, wordt verdriet vreugde, wordt vrees geloof en ongerechtigheid gerechtigheid, haat wordt liefde, dwaling waarheid, zonde heiligheid, ziekte gezondheid, zwakte wordt kracht. Want Jezus is overwinnaar!


ZIJN OGEN

Onze ogen kunnen alleen maar licht ontvangen en zien. Maar de ogen van de Heer zien niet alleen: ze zijn ook een vuurvlam (Op.19:12). Waarheen ze zich ook wenden, verspreiden ze licht, waarheid. Toen Petrus Hem had verloochend, draaide de Heer Zich naar hem om en keek. Die blik van licht en waarheid brak het hart van Petrus van spijt en verdriet: hij ging naar buiten en weende bitter. Dit was maar een schaduw van wat komen zou.

Want de dag komt en is nabij, dat Zijn ogen over de hele aarde zullen gaan. Eeuwen lang lag de wereld in donkerheid en kille schaduwen van de dood. Maar Hij, die spoedig geopenbaard wordt als de grote overwinnaar, komt met de wolken", "rijdend op een wit paard", om met ogen als "vuurvlammen" dood en duisternis te verdrijven.

Hij komt om alles en iedereen te richten (=recht te zetten) en om dat rechtvaardig te kunnen doen, moet Hij alles doorzien en elk verborgen kwade gedachte van het ego belichten. Alles van het "vlees" wordt dan openbaar en elke vorm van onwaarheid en huichelarij wordt dan ontdekt.

Uit Zijn ogen straalt ook een ongekende heiligheid en een oneindig onderscheidingsvermogen. Zijn licht dringt door zo diep, dat het zelfs bekend maakt wat "ziel" is en wat "geest" (vgl. Hebr.4:12-13). Zo brengt Hij alles wat in ons leven diep is weggestopt aan het licht. Alles.

Willen wij Hem nu reeds laten binnenrijden? Daar zingen we namelijk wel van, in de adventstijd. "Heft op uw hoofden, poorten wijd! Wie is het, die hier binnenrijdt? Begroet Hem, Heer der heerlijkheid ....." (Gezang 3). En: "Zie, heel mijn hart staat voor U open ....." (Gezang 7).


ZIJN WAPEN

"En uit Zijn mond komt een scherp zwaard", het tweesnijdende zwaard van het levende Woord (Heb.4:12, Op.1:16). Want dat is de naam van de ruiter op het witte paard, het Woord van God (Op.19:13). Met Zijn "zwaard" zaait Hij geen dood en verderf zoals andere overwinnaars dat deden. Zijn Woord raakt met waarheid, maakt levend, maakt gezond. Als we het in ons toelaten, brengt het heil, heling. Er staat: "Hij zond Zijn Woord om hen te genezen" (Ps.107:20).

"En uit Zijn mond komt een scherp zwaard waarmee Hij de volken zal slaan" (=raken, treffen). Daarbij moeten we niet denken aan wraak of straf, maar aan genezing. Op de Pinksterdag trof de prediking van het Woord van God zdanig het hart van de toehoorders, dat ze uitriepen: "Wat moeten we doen?". Ze waren geraakt! Duizenden kwamen er op die dag tot geloof en werden behouden (Hand.2:37-47). Zo zal het ook gaan met de volken.

Zijn zwaard snijdt alleen om te genezen. Het doodt wat had moeten sterven en Hij maakt levend, wat had moeten leven. Uit Zijn mond komt het Woord als een scherp "zwaard", waarmee Hij de volken zal raken. Dan zal Hij hen hoeden met een ijzeren herdersstaf, hen leiden met wr gezag en koningschap, ja, met gerechtigheid.

Nu dit: wat we uit de bijbel citeren en ervan weten en begrijpen, is niet het zwaard van de Heer. Dan kennen we de schrift. Het levende Woord is alleen dt wat uit Zijn mond komt n uit de onze als Hij door ons spreken kan. Dat Woord stroomt uit volkomen geheiligde volgelingen die vlees zijn van Zijn vlees en been van Zijn gebeente.

Zulke volgelingen van het Lam zijn "gemaakt tot koningen en priesters" (Op.5:10). Ze zijn eerstelingen voor God en voor het Lam, die het "Woord der waarheid spreken". Ze hebben veel te lijden, want in Babylon worden ze, net als de vroegere profeten, gemeden, vervolgd, gedood of voor dood gehouden.

Daar woedt een heel andere strijd. Daar vecht men met vleselijke wapens, met menselijke middelen en woorden. Daar speelt het intellect de eerste viool en gaat het om ideen, meningen, opvattingen, leerstellingen, niet om het Levende Woord.

In Babel is er trouwens altijd verwarring en onverdraagzaamheid. Theologische futiliteiten veroorzaken er stelselmatig verwijdering. "Christenen" die aanvankelijk dikke vrienden waren en voor elkaar door het vuur zouden gaan, laten elkaar in de steek om een bepaalde interpretatie van de schrift.

En de historische "christelijke kerken"? Door de eeuwen heen trachtten ze broeders en zusters te "bekeren" door ze levend te verbranden. Ware gelovigen, die vanuit de bijbel gingen verstaan, dat ze zich op geloof als volwassenen moesten laten dopen, werden heftig vervolgd en soms zelfs verdronken. Babylon is dronken van het bloed van heiligen en martelaren. Het was allemaal het werk van het vlees, het werkterrein van satan. Het gevolg was een valse kerk, die vocht met vleselijke wapenen. Het is dan ook vanzelfsprekend, dat zulk christendom weinig of niets verstaat van de strijd met het "zwaard" dat komt uit de mond van het Woord Gods.


DE LEGERSCHAREN DIE HEM VOLGEN

Als de Heer Jezus Christus openbaar wordt, komt Hij niet alleen. Zelfs vr de zondvloed had Henoch al geprofeteerd, "De Heer komt met Zijn heilige tienduizenden, om allen te richten" (Judas 14-15). En Johannes zag, dat "de heerscharen die in de hemel zijn, Hem volgden op witte paarden" (Op.19:14).

Jezus is de Leidsman, Zijn geheiligden volgen in Zijn spoor. Ze vormen samen n "lichaam" van strijders. Ze staan rechtstreeks onder Zijn bevel. "Zij die met Hem zijn, zijn de geroepenen, de uitverkorenen, de getrouwen", allemaal overwinnaars over het "beest" (=het "vlees" (Op.17:14).

Ieder lid van dit "lichaam" is gelijkvormig aan de Leider geworden. Allemaal zitten ze op een wit paard, gekleed in priesterlijk linnen. Ook zij ervaren volledige harmonie in hun binnenste, want de Geest heerst volkomen over het menselijke in hen. Het is een leger van priesterlijke koningen, maar hun kronen hebben ze aan hun Leidsman gegeven. Ze dragen zelf geen wapen: ze vertrouwen volkomen op het scherpe zwaard, dat komt uit Zijn mond als een geluid van vele wateren (vgl.Op.1:15, 19:6).

Nu een gedeelte uit een artikel van George Hawtin, waarin hij dit leger beschrijft:

"Het is een leger van duizenden geheiligde zonen, die allen deel zijn van het mystieke, mannelijke, lichaam van Christus. Ze zijn in dit lichaam ingelijfd in de loop van de afgelopen zesduizend jaar. Ze zijn nu gelijkvormig aan hun Heer. Hij komt als Strijder, Rechter, Koning en Hogepriester en zij zijn strijders, richters, koningen en priesters met Hem. Ze zijn gekleed in fijn wit linnen. Ze dragen geen wapenrusting, want ze zijn onvergankelijk gemaakt en kunnen niet meer worden gedood.

Het Hoofd van deze "volheid van Christus" is Het Woord van God (=de Engel des Heren in het oude testament, de Messias in het nieuwe). Hij is de eerstgeboren Zoon van de Vader, de eersteling uit de doden, de Koning van de koningen, de eerste van vele broeders, de oudste van de zonen Gods.

Nu de vele zonen. Zij hebben ook op aarde Zijn smaad gedragen, "buiten de legerplaats", buiten de traditionele en wereldse denominaties en groepen. Zij hebben ook de roep van de Heer verstaan en zijn daaraan gehoorzaam gebleven: "Gaat uit van haar, Mijn volk, en houdt niet vast aan het onreine. Dan zal Ik je aannemen, en Ik zal je tot Vader zijn en je zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heer, de Almachtige" (2Cor.6:17-18). Door hun gehoorzaamheid en gewilligheid werd God ook hun Vader. En als een Vader maakte Hij hen vrij van de verblindende tradities en leringen van mensen. Hij voedde hen met Zijn Woord" (einde citaat).

De hemelse legerscharen, die Hem volgen waarheen Hij ook gaat, zijn door de heilige Geest door alle tijden heen met grote zorg toebereid. Mozes' voorbereidingstijd om een verlosser naar Gods hart te kunnen zijn, was veertig jaar. Jezus' voorbereidingstijd was dertig jaar. Ook Paulus zocht jaren lang de stilte "en is geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed" (Gal.1:16). Zo zijn er steeds broeders en zusters geweest, die de stem van God gehoord hebben om de Zoon des mensen te volgen op de smalle weg, die ten leven leidt. Voor hn was de grote opdracht: "Volg Mij".

Dat deden ze dan ook. Ze volgden het Lam waarheen Hij ook ging, al was het buiten de legerplaats. Ze droegen menigmaal Zijn smaad en werden door menigeen gemeden en veracht. Net als hun Heer hadden ze geen gestalte noch luister, geen flitsende programma's of bedieningen en stonden bij mensen daarom niet in hoog aanzien. In het natuurlijke hadden ze niets te bieden. Ze hadden geen gestalte, dat de mensen hen zouden hebben begeerd. Ook zij werden veracht en van mensen verlaten. Wilt u de Zoon des mensen, het Lam, zo volgen?

"De heerscharen die in de hemel zijn, volgden Hem wel, op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen". Ze hadden wl in de voetsporen getreden van hun Heer als de Zoon des mensen, het Lam (Op.14:1-4). Ze zochten steeds Hem om door Hem te worden onderwezen (Mat.11:29). Daarom maakte Hij in hen alle godsdienstige begrippen en gewoonten "nieuw". Daarom leidde Hij hen volkomen uit het Babylonische denken. Ze leerden om lief te hebben op Zijn wijze, om God te dienen als een waar dienstknecht en om alles te leren verdragen om Zijns naams wil.

Op die smalle weg die de heilige genoemd wordt, leerden ze volkomen te rekenen op de kracht van Gods Geest. Ze verloochenden zichzelf, zochten geen eigen eer en geen eigen belang. Hun motto was: niet mijn eigen wil. Zelfbeklag, zelfvoldaanheid of zelfverheerlijking was hun vreemd. Ze wilden geen eigen gebouwtje, geen eigen gemeente, geen eigen programma, enz., enz. Kortom, net als hun Heer wilden ze niets voor zichzelf, zelfs niet een klein "nestje" of een klein "holletje". De Heer had gezegd: "Vossen hebben holen en vogels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen enkele plek om het hoofd neer te leggen" (Mat.8:18-22). Niets voor zichzelf, niets voor het ik, maar alles voor God: Uw wil geschiede en Uw naam worde geheiligd.

Ze leerden, net als Jezus, gehoorzaamheid in alles wat ze moesten doorstaan (Hebr.5:8). Kortom: ze achtten hun leven niet kostbaar voor zichzelf (Hand.20:24). Het ging om Hem en om Zijn plan. Ze verdroegen alles voor dit ne doel: dat de Heer Jezus het loon zou krijgen, waarop Hij had gewacht (Op.22:12). Hij was de graankorrel, die in de aarde was gevallen en was gestorven (Joh.12:24). Nu moest er een volle aar komen, eerstelingen voor God en van het Lam. Ze zijn niet alleen gekomen tot Christus (wat veel persoonlijk gewin geeft, vergeving van zonde, de gaven van de heilige Geest en nog veel meer), maar trekken ook uit om in Christus te zijn (waarbij een mens zijn leven moet verliezen om Zijnentwil, Mat.10:39). En dat alles voor Zijn naam, voor Zijn koninkrijk.

Welnu, in Openbaring 19 zien we Hem komen met het "volk voor Gods naam". Het is de komst van "de volheid van Christus": allemaal op witte paarden, gehuld in wit linnen en op hun voorhoofden de naam van het Lam en de naam van de Vader (Op.14:1-5). Hij komt en met Hem Zijn loon (Op.22:12).

Weet u te zijn geroepen om bij Hem te komen staan op Sion? (Op.14:1). Volgt u het Lam waarheen Hij ook gaat? (Op.14:4). Dan "zal de Heer uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in eeuwigheid" (Ps.121:8).


Home page