Home page



Van oost naar west



"Zoals de bliksem
komt van het oosten en licht tot het westen,
zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn"
(Mat.24:27).

"Voor u
die ontzag heeft voor Mijn naam
zal de Zon der gerechtigheid opgaan
en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen"
(Mal.4:2).


INLEIDING

"Zoals de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" (Mat.24:27). De vertaling van deze tekst doet vermoeden, dat de Heer onverwachts komt, plotseling, als in een bliksemflits van oost naar west.

Het hier gebruikte Griekse woord voor komst is parousia . Dat betekent niet plotselinge komst, maar het gekomen zijn, het aanwezig zijn.

En het gebruikte Griekse woord voor bliksem is astrape, helder licht, in Lucas 11:36 vertaald als schijnsel: "Zoals een lamp u met haar schijnsel verlicht".

Welk licht komt altijd van het oosten en schijnt tot het westen? De bliksem? Nee toch! Het is de zon, het licht van de dag. Die is er altijd: schijnt hij niet hier, dan aan de andere kant van de aardbol. En als Jezus als het ware Licht in ons aanwezig kan zijn, dan gaat Hij in ons steeds helderder schijnen, van "oost" naar "west" (Ps.84:12, Mal.4:2, Spr.4:18, Joh.8:12, 9:5, 12:46, 1Thes.5:5).

Sommigen zullen nu even moeten wennen aan het feit, dat Jezus is gekomen, als opgaande Zon. Hij komt voor kinderen van het licht juist niet plotseling (1Thes.5:1-6). Als Hij opgaat in ons hart, worden wij veranderd naar Zijn beeld van heerlijkheid tot grotere heerlijkheid (2Cor.3:18). Dan wordt in ons Zijn licht steeds helderder en Zijn liefde steeds warmer merkbaar.

Zo ervaren we steeds meer genezing onder Zijn vleugelen en groeien we in meer opzichten naar Hem toe (Mal.4:2, Ef.4:15). Zo "doet dit vergankelijke onvergankelijkheid aan en dit sterfelijke onsterfelijkheid" en wordt "de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd" (1Cor.15:51-53, 2Cor.4:16, Ef.4:24).


OOST EN WEST

In de bijbel wijzen alle aardse begrippen naar geestelijke realiteiten. Namen en getallen hebben er een betekenis. De wonderen zijn wondertekenen. De geschiedenissen zijn allemaal profetisch. Kortom: het is een boek met een dubbele bodem. Daarom de vraag: wat betekenen oost en west?

De weg van de zon is altijd van oost naar west, overal op aarde. Zo is ook de komst van het waarachtige Licht en dus ook de geestelijke weg van de rechtvaardige (Mat.24:27). Zijn pad is "als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag" (Spr.4:18).

Wie tegen de zon in loopt, gaat van west naar oost. Die weg tegen het Licht in begon al bij de zondeval en eindigde buiten het paradijs. Daar, ten oosten van de hof, stelde God de cherubs met een flikkerend zwaard, om de weg tot de boom des levens te bewaken (Gen.3:24).

Gaan we met het Licht mee, van oost naar west, dan bewandelen we in gehoorzaamheid de heilige, smalle, opgaande weg ten leven. Gaan we tegen het Licht in, van west naar oost, dan zijn we op de weg van het ongehoorzame vlees, van het eigen ik. Deze weg is breed en leidt hoe langer hoe verder van de boom des levens af.

Mozes sprak over die twee wegen: "Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade, de zegen en de vloek. Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht, door de Heer lief te hebben en naar Zijn stem te luisteren" (Deut.30:15,19,20).

God stelt ons dus steeds voor de keus. Gaan we met Hem mee, of gaan we tegen Hem in? Laten wij ervoor kiezen te gaan van oost naar west, met het Licht mee. Dan komen we in het nieuwe paradijs. Dat is het hemelse Jeruzalem, dat straalt van de luister van God en waar de ware boom des levens staat (Op.2:7, 21:23).


KAN GING
VAN WEST NAAR OOST

Adam en Eva hadden in het paradijs van de Boom des levens mogen eten en er de volle heerlijkheid van God ervaren. Toen kwam de zondeval, waardoor de mens buiten het paradijs moest verder leven.

Buiten het paradijs wisten de mensen nog wel, dat God niet ver weg was. Ze brachten Hem offers (Gen.4:3-5). Hij sprak nog steeds tot hen, zelfs nog tot Kan, toen hij zijn broer had gedood. Maar de zonde lag voortdurend als een belager aan de deur om de mens te overheersen (vgl. Gen.4:7, Rom.6:12). Wat besloot Kan te doen? "Hij ging weg van het aangezicht van de Heer en ging wonen in het land Nod, ten oosten van Eden. Hij stichtte er een stad" (Gen.4:16-17).

Hij trok naar het oosten. Kan ging zijn eigen weg, tegen het Licht in, steeds verder weg van de zegenende aanwezigheid van God. Zijn land werd Nod (=ronddolen). Hoe verder hij trok, hoe minder hij de zegen, de vrede, de rust, de wijsheid en de wil van God ervoer. En hoewel hij een stad bouwde om erin te wonen, werd zijn leven n grote omzwerving.

Herkent u de drie geestelijke toestanden, waarin men kan verkeren?

Ten eerste is er een levensvorm in het paradijs met de zalving van God in je hele wezen. Adam en Eva kenden dat. Iedereen kan dat kennen, als hij de Weg weet. Hier en nu? Jazeker, want anders had Jezus ons niet leren bidden: "Uw koninkrijk kome en Uw wil geschiede in de hemel alzo ook op aarde". Het paradijs is namelijk het Koninkrijk van God op aarde. Het is Zijn rijk, dat komende is in ons met goddelijke luister en kracht.

Dit "nieuwe" paradijs is in geest en waarheid. Het is geen natuurlijke tuin ergens op aarde, maar het geestelijke domein waar de Heer is (Ez.48:35). Als we bij Hem "wonen", zijn we nog wel in de wereld, maar ook "van boven" (vgl.Joh.8:23). In Genesis lezen we al, hoe toegang tot het paradijs weer mogelijk zou zijn: door het zwaard, door het levende, krachtige woord van God dat scheidt, kwaad van goed, ziel van geest, overleggingen en gedachten van het menselijke hart (vgl. Gen.3:24, Heb.4:12). Als wij het levende "Zwaard" laten werken in ons binnenste, dan gaat het "paradijs" weer open! (Op.3:8). Dan hebben we de "nieuwe" en levende weg gevonden (Hebr.10:19-23).

Ten tweede is er ook een levensvorm mogelijk buiten het paradijs, maar wel op de Heer gericht, met Zijn zegen op je leven. Dan hebben we een relatie met Hem zoals we dat zien in het oude testament. Daar komt Gods Geest altijd over mensen, van buitenaf, niet van binnenuit.

Ten derde kun je de weg van ik-gerichtheid voortzetten, zoals Kan dat deed, steeds verder trekkend naar het oosten. Zodoende kom je steeds verder weg te leven van God, totdat uiteindelijk alle besef van Zijn aanwezigheid is verdwenen. Alles wordt dan gedaan in het vlees, op eigen initiatief en in eigen kracht. Hoe hard er ook gewerkt wordt, "het land zal dan zijn volle opbrengst niet meer geven" (Gen.4:12a). Die weg eindigt in ballingschap. Je blijft een "doler" in het land Nod, ondanks dat je er een stad hebt gebouwd om erin te wonen (Gen.4:12b).

Waarom bouwde Kan eigenlijk een stad? Omdat hij wegging van de Heer, die zijn Bewaarder niet meer kon zijn (vgl. Ps.121). Hij moest zichzelf zien te beschermen. Het Hebreeuwse woord voor stad is (ir,) afgeleid van een werkwoord, dat (be)waken betekent. Een ir is een plaats, die je goed kunt bewaken, waar je je veiliger waant dan in een tent in het open veld.

Kan is dus, als eerste stedenbouwer, het prototype van het bouwen zonder God. Hij deed dat op eigen initiatief en in eigen kracht. Zijn offer was al verkeerd: het waren "vruchten van de aarde" (Gen.4:3). Zijn leven was misschien nog wel godsdienstig, maar de afstand tussen hem en de Heer werd steeds groter. Zijn werk bracht vleselijk-zielse resultaten voort. Velen zouden hem volgen: Nimrod (=rebel, Gen.10:10), de mensen van Babel (=verwarring) en talloze anderen tot op de dag van heden.

Want ook nu brengen velen offers die God niet kan accepteren. Ook zij zijn de weg van Kan opgegaan (Judas 11). Het is de weg, waarop je de rug keert naar de Boom des levens en je een eigen stad in het oosten gaat bouwen. Die weg verloopt "overeenkomstig de loop van deze wereld" met een "wijsheid, die niet van boven komt, maar die aards is, ongeestelijk (=vleselijk-ziels), duivels" (Ef.2:2, Jac.3:15). Op die weg volg je de wijsheid van de menselijke ratio, niet het Licht van God. Op die weg staat het menselijk ego centraal, niet de Heer. Daar geldt: niet Christus regeert in mij, maar mijn ik (vgl. Gal.2:20). Het is de weg, die velen bewandelen en waarvan Jezus zegt, dat hij breed is en tot verderf leidt (Mat.7:13).

Dat geldt trouwens voor iedereen, die in deze ik-gerichte gezindheid een religieus ommuurd stadje van de grond weet te krijgen. Je kunt erg godsdienstig zijn en toch de aanwezigheid van God niet ervaren. Dan bedrijf je, net als Gods volk destijds, "twee boze daden: je verlaat Hem, de bron van levend water om voor jezelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden" (Jer.2:13). Dan worden de schapen van God niet gelaafd, maar wordt er een eigen gemeente in stand gehouden, die als een ir bewaakt moet worden met allerlei vleselijke middelen. Wee, die herders! (Ez.34).

Wie Jezus volgt, zal nooit iets voor zichzelf bouwen. Hij zal nooit de weg van Kan opgaan, maar hij zal de smalle weg ten leven bewandelen (Mat.7:13-14). Hij laat zich door de goede herder leiden naar ruime, groene weiden (Ps.18:19, Ps.31:8). Hij blijft in Christus, in Zijn woord, en is waarlijk Zijn discipel. Hij verstaat de waarheid, die hem vrij maakt, waarlijk vrij. Hij weet,dat Christus hem heeft vrijgemaakt (Joh.8:31-32, Gal.5:1). Hij vertoeft in grazige weiden en aan rustig water (Ps.23:2-3). Hij ervaart dat er maar n herder is, en n kudde (Joh.10:16, Ps.23:6, 27:4).

Tot die "gemeenschap met Jezus Christus, onze Heer" roept God ons, "tot Zijn wonderbaar licht" (1Cor.1:9, 1Pet.2:9). Hij wil dat wij "Zijn eeuwige luister", "de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus, verkrijgen" (1Pet.5:10, 2Thes.2:14). Wie dat innerlijk verstaat, zal Babel uittrekken en voortaan in tenten wonen (zie Jer.35, Hos.12:11, Heb.11:9). Hij blijft mobiel, om steeds onder de genezende vleugelen van het Licht te leven. Ja, de Zon zal als een bruidegom uit zijn bruidsvertrek treden en zal jubelend als een held zijn weg gaan (Ps.19:6). Wie met Hem optrekt, gaat dus een weg van geestelijke progressie, van heerlijkheid tot heerlijkheid, van oost naar west. Als we dat in ons leven zien gebeuren, zijn we op weg naar het nieuwe paradijs dat bestaat in geest en waarheid (vgl. Op.2:7).


ABRAHAM TROK
VAN OOST NAAR WEST

Als we in Genesis doorlezen, komen we in de tijd na de zondvloed. Wat geweldig! "De hele aarde was n van taal en n van spraak" (Gen.11:1). Maar wat triest! "Toen trokken ze oostwaarts en vonden een vlakte in het land Sinear, waar ze zich vestigden" (Gen.11:2). Men was de weg van Kan opgegaan. Ook zij zouden een stad gaan bouwen, Babel, met ook nog een toren die tot de hemel moest reiken (Gen.11:4).

Weer een hoofdstuk verder lezen we: "De Heer zei tegen Abram: Trek weg uit je land, verlaat je familie, ook je naaste verwanten, en ga naar het land, dat Ik je zal wijzen" (Gen.12:1). Abram woonde in het oosten, in Ur der Chaldeen, het gebied van het oude Babylon. Hij zou gaan naar een land dat God hem beloofde. De Heer riep hem om te gaan van oost naar west, met het Licht van de Zon mee.

Ur betekent ook licht, maar licht van een vlam. Is dat het licht van God? Nee, dat licht heb je, als je een vuurtje stookt, zelfgemaakt licht, Babylonisch licht van natuurlijke en vleselijke denken. Abram werd geroepen om dat licht achter zich te laten en zich te laten leiden door de Zon der gerechtigheid naar een beter land. Uit Babel trekken is een beeld van het verlaten van alle godsdienstige systemen, die voortgekomen zijn en in stand gehouden worden door menselijk denken en menselijke inspanning.

Adam en Eva werden uit het paradijs verdreven van west naar oost. Kan trok steeds verder weg van de aanwezigheid van de Heer, van west naar oost. Maar Abram en Sara reisden van oost naar west, van Babel naar het beloofde land.

Daarvan had God hem wonderbaarlijke nieuwe dingen laten zien, realiteiten in de geest. Abram zag het nieuwe paradijs, als een stad, die God Zelf had ontworpen en gebouwd (Hebr.11:10, vgl.Op.2:7, 21:2. 22:2). Hij ging op weg naar dt paradijs. "Door het geloof is hij, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij als erfenis zou ontvangen. En hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou" (Heb.11:8).

En wat gebeurde er, toen hij in het land Kanan aankwam? "Toen verscheen hem de Heer en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Bethel. Hij zette zijn tent op, met Bethel tegen het westen en Ai tegen het oosten. Daar bouwde hij een altaar voor de Heer en riep de naam van de Heer aan" (Gen.12:7-8). Moet u eens opletten, hoe Abram zijn tent neerzette: met Bethel naar het westen en Ai naar het oosten. Bethel betekent huis van God, Ai betekent steenhoop (van het werkwoord awah=omkeren). Hij richtte zich naar het huis van God, om daar "te verblijven al de dagen van zijn leven, om de liefelijkheid van de Heer te aanschouwen en om naar Zijn wil te zoeken in zijn tempel" (Ps.27:4). En hij keerde Ai, de puinhoop, de chaos en spraakverwarring van Babel, de beschaving van Ur der Chaldeen, ja alles van het oosten, de rug toe!


LOT KOOS
VOOR HET OOSTEN

We kennen allemaal de geschiedenis van Abram en zijn neef Lot. Toen Abram uit het oosten vertrok, "zoals de Heer tegen hem had gezegd, ging Lot (Hebr.: bedekking, omhulsel) met hem mee" (Gen.12:4). Maar eenmaal in Kanan aangekomen "ontstond er twist tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee" (Gen.13:7). Ze hadden samen namelijk zo veel vee, dat het land niet toeliet, dat ze samen bleven wonen (Gen.13:6).

Er moest dus gekozen worden. Abram liet de eerste keus aan Lot. Deze "zag, dat de hele streek van de Jordaan rijk aan water was, als de hof van de Heer, als het land Egypte. Dus koos hij voor de hele streek langs de Jordaan. Hij ging naar het oosten" (Gen.13:10-11).

Wat een egost om eerst te kiezen! Wat een dwaas om de hof van Eden gelijk te stellen met de Jordaanstreek en met Egypte! En daar, bij "de Jordaan", zou hij uiteindelijk gaan wonen, niet in "tenten", maar in een goddeloze "stad"! Hij koos voor de weg "naar het oosten", tegen het licht in.

Abram bleef wl in tenten wonen, zlfs in het beloofde land, alsof het in een vreemd land was (Heb.11:9-10). Hij had iets nog veel beters gezien en dat bleef hij zoeken. Hij zocht geen stad van baksteen, zoals Babel, Sodom en Gomorra, die steen voor steen vanaf de grond waren verrezen. Nee, hij wist van een hemelse stad, die God had ontworpen. Hij had een stad gezien met de luister van God, waar niet de Jordaan (=de doodsrivier) stroomde, maar de rivier van water des levens (Op.21:2,11, 22:1). Hij had een hemels paradijs gezien.

De egocentrische Lot (hij was wel rechtvaardig, maar gehecht aan het onreine, 2Petr.2:8), ging zijn eigen weg. Eerst sloeg hij zijn tenten op bij Sodom (Gen.13:12). Uiteindelijk bouwde hij een huis in de stad. Hij werd er zelfs n van de notabelen, die in de poort mocht zitten (Gen.19:1). Van tentbewoner werd hij huisbewoner. En dan nog wel in een stad als Sodom.

U kent het vervolg. Gods oordeel over het kwaad dat er bedreven werd, kon niet uitblijven. "De Heer liet zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen uit de hemel; en Hij keerde die steden om, met de gehele streek" (Gen.19:24-25). Na de ramp lagen de steden diep onder water in de Dode Zee, een plek, die nu de diepste depressie op aarde is: 394 meter beneden de zeespiegel.


DE RIVIER
DIE NAAR HET OOSTEN STROOMT

Weet u, wat God tegen Abram zei, toen zijn neef zich van hem had afgescheiden? "Sla toch je ogen op en kijk van de plaats waar je nu bent naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het hele land, dat je ziet, zal Ik aan jou en aan je zaad geven" (Gen.13:14-15). Abram had volledig op God vertrouwd en daarom zou hem een erfdeel gegeven worden alle richtingen uit. Later werd deze belofte herhaald aan Jakob, toen deze in Bethel een geweldige droom zag. "Je zult je uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden en met jou en met je zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden" (Gen.28:14).

Het is een heerlijke waarheid, dat wie naar het westen trekt en het beloofde Koninkrijk der hemelen binnengaat, stromen van levend water uit zijn binnenste zullen stromen, alle kanten uit (Joh.7:38). De harten van aan Hem gehoorzame mensen zijn Gods troon. Daaruit stroomt de rivier van Gods Geest (Joh.7:39). Alle kanten uit, ook naar het oosten.

Dat laatste toonde de Heer al aan Ezechil: "Hij bracht mij naar de ingang van het huis (=de tempel van God en dat bent u, 1Cor.3:17). En daar stroomde water uit naar het oosten" (Ez.47:1). "Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee. In de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. En alle levende wezens zullen er leven. Overal waar de beek komt, zal alles leven" (Ez.47:6-9).

De rivier Gods stroomt dus eerst af naar de Vlakte. In de bijbel duidt een vlakte op zwakte, in tegenstelling tot een berg, een sterkte. Met de oostelijke vlakte bedoelt Ezechil de zwakte, die is ontstaan door de rebellie van de mens. Het is de woestijn van het vlees. Daarheen stroomt de beek Gods en maakt "haar tot een waterplas" (Jes.41:18). "De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis" (Jes.35:1). Want "Ik doe iets nieuws, nu zal het uitspruiten: Ik zal een weg in de woestijn maken, rivieren in de wildernis" (Jes.43:19).

"De beek Gods is z vol water" dat ze ng verder kan stromen (Ps.65:9). Uiteindelijk wordt haar water uitgestort in de oostelijke zee. Dat is de Dode Zee, waar Sodom en Gomorra verdwenen in de diepte. Ook daar zal alles leven, zelfs op het diepstgezonken punt van de aarde (Ez.47:6-9).

Water des levens, de levendmakende Geest! Over dat water sprak Jezus met de Samaritaanse vrouw: "Wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, want het zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh.4:14).

En later zei Hij: "Als iemand dorst heeft, laat hem dan bij Mij komen drinken! Dan zullen stromen van levend water uit zijn binnenste vloeien. Dit zei Hij van de Geest" (Joh.7:37-39).

Dat zuivere water van de heilige Geest brengt dus goddelijk leven aan ieder die gelooft. Ook wij mogen vrijmoedig naar de troon van genade gaan, van waaruit de "rivier van water des levens ontspringt" (Hebr.4:16, Op.22:1). We zijn "genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem" (Hebr.12:22). Jezus heeft er de bron voor ons ontsloten (Joh.7:37-39). Door Hem hebben we leven in het Woord (1Joh.5:11-12). Het mag, als we in het Koninkrijk Gods wonen, uit ons stromen als Zijn rivier, alle richtingen uit!

Dat is als schaduwbeeld in Genesis ook al te vinden. "Er ontsprong in Eden een rivier om de tuin te bevochtigen, en vandaar splitste ze zich in vier stromen", alle kanten uit (Gen.2:10-14).

Dat was slechts een schaduwbeeld van de geestelijke realiteiten in Christus Jezus (Joh.1:17). Want sinds de uitstorting van de heilige Geest stroomt nu die rivier naar alle kanten uit de Zijnen. Er stroomt nu een geestelijke "rivier van water des levens, helder als kristal, uit de (nieuwe) troon van God en van het Lam" (Op.22:1).

"En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, mag komen, en wie wil, mag het water des levens om niet nemen" (Op.22:17). "O, alle dorstigen, kom tot de wateren" (Jes.55:1).


DE TABERNAKEL EN DE TEMPEL

Nu de tabernakel in de woestijn en de tempel in Jeruzalem werden gebouwd met de ingang aan de oostzijde (Ex.27:13-16, Ez.8:16). De enige weg, om het heiligdom binnen te gaan, was van oost naar west, met het Licht mee. Die weg spreekt van geestelijke groei en vooruitgang: van buiten Gods Huis, onwetend, verduisterd in ons denken, tot in het heiligdom (Hebreen hoofdstuk 9).

We gaan dus eerst de voorhof binnen door de Deur, Jezus (Joh.10:7). Zodoende staan we meteen in de juiste houding, met het gezicht naar het heilige, ten westen, en met de rug naar het oosten met alle onze ik-gerichtheid en vleselijke activiteiten.

Dan mogen we verder gaan via het koperen wasvat en het brandofferaltaar naar het heilige. Daar binnen schijnt alleen het licht van Gods Geest en wordt de Heer gediend in geest en waarheid door priesters naar de ordening van Melchizedek.

En dan is er ng een stadium, uiterst west, het heilige der heiligen. Daar ontmoet men Hem van aangezicht tot aangezicht in het wondere licht van Zijn volle luister. "Geliefden, nu zijn we kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat we zijn zullen; maar we weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, we Hem gelijk zullen wezen; want we zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1Joh.3:2). De weg vanaf het begin tot het ingaan tot Zijn heerlijkheid, is de weg in de Zijnen als van de opgaande zon.


WIJZEN UIT HET OOSTEN

De wijzen, die Jezus goud, wierook en mirre aanboden, kwamen uit het oosten. Ze trokken net als Abram westwaarts en vroegen toen ze in Jeruzalem waren aangekomen: "Waar is de Koning van de Joden, die geboren is? Want we hebben Zijn ster in het oosten gezien en we zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen" (Mat.2:1-2).

Niet de ster was in het oosten, maar de wijzen. En toen ze vanuit hun positie de ster aan de westelijke hemel hadden ontdekt, gingen ze op reis naar het westen. Daar zou de ster hen verder leiden en hen brengen bij de nieuwgeboren Koning (Mat.2:10-11).

Zij, wijzen, gingen van oost naar west. Ze wendden zich af van de menselijke wijsheid van Babel, Perzi, of van welk ander land ze ook waren gekomen. Ze gingen op weg naar Hem, "die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing" (1Cor.1:30). Ze lieten alles achter: het menselijk redeneren van Babel, oosterse astrologische dwalingen en filosofien, zielse ervaringen en occulte gewoonten, allemaal dingen die in het oosten zo veelvuldig voorkomen.

En wij? Zijn wij wijs? Gaan wij van oost naar west, Gods Geest volgend om de Heer te ontmoeten in de geest, om Hem hulde te bewijzen? Zijn wij net zo blij verrast met het verschijnen van de koningsster in ons leven, dat we bereid zijn om alles achter te laten om Hem te leren kennen? (vgl. Fil.3:8-10).

Wat zouden wij bijvoorbeeld achter kunnen laten? Allereerst alle vastgeroeste opvattingen met de talloze halve waarheden. Verder de zielse godsdienstbeleving, waarbij een gemeente meer lijkt op een "huis van vermaak in een uitgelaten stad, waar op de akker van Gods volk doornen en distelen opschieten" dan op een gebedshuis (Jes.32:13). En wat dacht u van alle activiteiten, plannen en projecten, die op menselijk initiatief van de grond komen en waarvoor steeds om geld moet worden gesoebat? Dan zijn er de vele new-age-achtige oosterse invloeden, die overal zijn doorgesijpeld en de diepte-psychologische ideen en technieken, die door Freud en Jung zijn bedacht en die nu ook in gemeenten worden gebruikt om medegelovigen te helpen. Blijft u in het denken van Babel, waar alles aards- en zielsgebonden is? Wilt u zich ook vrijwillig laten uitleiden? Gaat u mee, van oost naar west, met het Licht mee?

"Als u heden Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet" (Hebr.4:7). Laat u leiden door Gods Geest, de verwarring van Babel uit en de vleselijkheid van Egypte uit. De Heer zal uw Bewaarder zijn (Ps.121:5). "Hij zal niet toelaten, dat uw voet wankelt" (Ps.121:3). "Hij zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid" (Ps.121:8).

O, Heer, "zend uw licht en uw waarheid; mogen die mij leiden, mij brengen naar uw heilige bergen, naar uw woningen, zodat ik kan gaan tot Gods altaar, tot de God van mijn jubelende vreugde!" (Ps.43:3-4).


JEZUS VERLICHT
VAN OOST NAAR WEST

De Heer Jezus zei, dat Zijn komst (parousia=aanwezigheid) zou zijn als een helder licht, dat zou schijnen van oost naar west (Mat.24:27). Hij zou opgaan als de zon der gerechtigheid en schijnen in de harten van de Zijnen (Mal.4:2). "Sta op (uit gelatenheid en neerslachtigheid), word verlicht, want uw licht is gekomen en de heerlijkheid van de Heer is over u opgegaan. Over u zal Hij opgaan (tot de volle dag) en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden" (Jes.60:1-3).

Zijn komst van oost naar west is dus een proces in het verborgene, in de Zijnen. En de komst van Zijn licht zal in alle heerlijkheid gezien worden. Het licht in de stad Gods zal niet altijd verborgen blijven (Mat.5:14). Het waarachtige licht schijnt al in ons (1Joh.2:8). Daar is de dag van de Heer al aangebroken. En op de grote dag van de Heer zal het overal geopenbaard en gezien worden (Op.21:24). Het zal uiteindelijk ieder mens verlichten (Joh.1:9).

Wat verstaat de bijbel eigenlijk onder licht? Het is het symbool voor waarheid, voor kennis vanuit God (Ps.43:3, 2Cor.4:6). Licht is geestelijk weten. Het is het kennen van de geestelijke realiteiten van het koninkrijk der hemelen. Het is zelfs het kennen van de heerlijkheid van God. "De God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid van God" (2Cor.4:6).

En als het evangelie van het Koninkrijk der hemelen voor mensen bedekt is, dan heeft "de god van deze eeuw hun overleggingen met blindheid geslagen, zodat ze het licht niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus" (2Cor.4:3-4). Dan bezit men wel kennis, maar alleen hoofdkennis over de waarheid. Dan denkt men in aardse begrippen over de heerlijkheid van God. Dan wordt er gepraat over het Koninkrijk der hemelen als over een plaats elders, zonder dat men er geestelijk in leeft. En dat is allemaal duisternis (vgl. Mat.6:23).

O, wat moeten we dankbaar zijn, dat "Hij ons heeft verlost uit de macht van de duisternis en ons heeft overgebracht in het Koninkrijk van Zijn geliefde Zoon" (Col.1:13). Dan "zijn we kinderen van het licht, kinderen van de dag. We horen dan gewoon niet meer toe aan nacht of duisternis" (1Thes.5:5).

Nog steeds gaan duisternis en licht dus nog samen op. Er is dag en nacht tegelijk. Als het in Nederland licht wordt, is het in Amerika nog nacht. Ook geestelijk gaan duisternis en licht nog samen. "Duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natin, maar over u zal de Heer opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden" (Jes.60:2).

En door het licht van Gods heerlijkheid zal er in de ware gemeente (=de bruid, de heilige stad) geen nacht meer zijn, alleen maar licht (Op.21:25). Over Zijn volk, dat als een hemels Jeruzalem op een berg ligt, zal Zijn heerlijkheid gezien worden. Het kan niet verborgen blijven (Mat.5:14, Op.21:10,22). God heeft immers Zijn volk gesteld "tot een licht voor de volken, opdat Zijn heil zal kunnen reiken tot het einde van de aarde" (Jes.49:6). Alle "volken zullen opgaan naar haar licht en koningen naar haar stralende opgang" (Jes.60:3). Ze zullen allemaal ingaan door haar paarlen poorten en wandelen in het licht van God (Op.21:24, 22:2).

In het nieuwe Jeruzalem heeft het licht van God helderheid gebracht over de ware aard van alle dingen. Men ziet er niet meer "door een donker glas, in raadselen" (1Cor.13:12, letterlijk), maar als door een kristalheldere diamant (Op.21:11). Alle menselijke leringen en zielse ervaringen zijn geweken voor het licht van de heerlijkheid van God. Alle aardsgerichte ideen over Zijn koninkrijk zijn weggesmolten bij "het aanschouwen van de liefelijkheid van de Heer in Zijn tempel" (Ps.27:4).

Van oost naar west! Jezus zegt: "Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, zal nooit meer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht van het leven hebben" (Joh.8:12). Hij zegt ook: "Jullie zijn het licht van de wereld" (Mat.5:14).

"Zoals het Licht komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" (Mat.24:27). "Voor u, die Mijn naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen" (Mal.4:2). "Het pad van de rechtvaardige is dus als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag" (Spr.4:18). Halleluja!

Home page