Home page



Van oud
naar nieuw



"Zie, de dagen komen,
dat Ik een nieuw verbond sluiten zal.

Ik zal Mijn wet in hun hart schrijven.
Ze zullen elkaar niet meer leren
en zullen Mij allen kennen, van de kleinste tot de grootste,

zo luidt het woord van de Heer"

(Jer.31:31-34).


INLEIDING

De bijbel is verdeeld in een oud en een nieuw testament en spreekt van een oud en een nieuw verbond (Jer.31:31, 2Cor.3:14). Wat betekenen die begrippen?

Oud betreft de zichtbare, natuurlijke, tijdelijke, aardse dingen. Nieuw de onzichtbare, bovennatuurlijke, onvergankelijke, geestelijke realiteit.

Met het oude verbond beloofde God aan een natuurlijk volk, IsraŽl, dat Hij het uit het land Egypte zou leiden en het zou brengen naar een beter land in het midden oosten (Ex.3:17). Het moest Hem wel gehoorzaam zijn, zich houden aan Zijn op steen gebeitelde geboden en de leider volgen: Mozes.

De HebreeŽnbrief maakt ons duidelijk, dat dit oude verbond in het nieuwe wordt vervuld, voleindigd, verhoogd, verruimd. Met het nieuwe belooft God, om ieder die gehoorzaamt uit te leiden uit "Egypte" en te brengen tot in het Koninkrijk der hemelen, tot in het "beloofde land in Christus", "tot de berg Sion met de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem" (Hebr.12:22). De leiddraad bij dat verbond is een nieuwe wet met nieuwe geboden, die Hij in harten van mensen schrijft. Zo kan men van Hem leren, Hem kennen als het levende Woord, het Woord van de Geest (Rom.8:2).

Nu de vraag: met welk verbond leeft u? In het nieuwe, in geest en in waarheid? Of bent u blijven steken in het oude, iets wat Paulus al zag gebeuren in de eerste gemeente? (Gal.3).


OUD EN NIEUW

De Heer Jezus leefde in een tijd, dat de wet van het oude verbond werd gehouden. Ook Hij hield Zich daar aan. Maar Hij leerde als eerste er ook de geestelijke vervulling van kennen en beleven (Mat.5:18). Over dat nieuwe sprak Hij dan ook steeds met Zijn discipelen (Mat.5,6,7, 9:16-17, 26:29). Hij gaf hun een nieuw gebod (Joh.13:34). Tijdens het laatste avondmaal sloot Hij met hen een nieuw verbond (Luc.22:20).

Ook Paulus werd "bekwaam gemaakt om dienaar te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter, maar van de Geest" (2Cor.3:6). Hij diende "in die nieuwe staat" (Rom.7:6b). Hij schreef, dat we in nieuwheid des levens kunnen leren wandelen (Rom.6:4). Want, zegt hij, "wie in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, het nieuwe is gekomen" (2Cor.5:17).

Wat Johannes zag in Openbaring was helemaal nieuw. Hij zag een nieuwe stad neerdalen uit de hemel van God (Ps.48:1-4, Mat.5:35, Op.21:1-2,11). De "stad" bestond uit nieuw materiaal: levende stenen, die straalden van de heerlijkheid van God (1Pet.2:5, Op.21:23).

Weet u, dat God dit nieuwe licht al in zekere mate "in onze harten laat schijnen, om ons te verlichten met de kennis van Zijn heerlijkheid" (2Cor.4:6)? En weet u, dat na het kennen ervan, we ook daadwerkelijk vernieuwd kunnen worden, nieuw kunnen zijn, van boven, al tijdens ons leven? Er is namelijk een Weg van oud naar nieuw: Jezus! (Joh.14:6). Laten we dan ook zeggen: "Kom, laten we opgaan naar de berg van de Heer, naar het huis van onze God, opdat Hij ons kan leren aangaande Zijn wegen en wij Zijn paden kunnen gaan bewandelen" (Micha 4:2).


DE WET VAN HET OUDE
EN DE WET VAN HET NIEUWE VERBOND

Toen IsraŽl "het uitschreeuwde over de slavernij in Egypte, dacht God aan Zijn verbond met Abraham, Izašk en Jakob" (Ex.2:23-24). Hij zei: "Ik zal jullie verlossen, jullie als volk aannemen en jullie tot een God zijn" (Ex.6:5-7). Bij dat verbond hoorde de wet, die Hij door Mozes gaf (Ex.19:5, Ex.20 e.v.). Zo sloot God een verbond met een natuurlijk volk en zei: "Als je Mijn wet in acht neemt, zul je leven" (Lev.18:5).

Die wet was goed en rechtvaardig, maar streng. Er stond b.v. niet alleen de doodstraf op moord (Num.35:17), maar ook op het slaan van ouders (Ex.21:15), op toverij (Ex.22:18), verleiding tot afgoderij en overspel (Deut.13:5, 22:22).

Maar hoe streng Gods wet ook was, het volk veranderde er innerlijk niet door. Het bleef hardnekkig en weerspannig (Deut.31:26). God hield Zich aan het verbond en bracht IsraŽl naar het beloofde land (Deut.31:20a). Maar het volk zou het vaak verbreken en zich zelfs wenden tot andere goden (Deut.31:20b).

Daarom konden Gods gerichten niet uitblijven. Jaren later werd hun land veroverd, Jeruzalem verwoest en het volk in ballingschap gevoerd. En juist in die tijd beloofde de Heer door de profeet Jeremia, dat er een nieuw verbond zou komen: "Ik zal Mijn wet in hun hart schrijven" (Jer.31:33). Op steen en papier geschreven wetten zouden plaats gaan maken voor in het hart gegrifte wetten.

In het hart?. Ja, want dŠŠr zit het probleem! "Arglistig is het hart boven alles, het is verderfelijk", zegt Jeremia (17:9). Regels en wetten van buitenaf kunnen het onmogelijk veranderen. Altijd blijft het trots en begerig. Altijd weerstaat het Gods wil, hoe goed we ook zijn opgevoed en gedrild. En juist daarom hebben we een nieuwe geest in ons binnenste nodig, een nieuw hart (Ez.11:19a). Het koude hart van steen moet plaatsmaken voor een warm hart van vlees waarin Hij kan schrijven (Ez.11:19, Jer.31:33). En als we dat toelaten, dan kan "de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus ons vrijmaken" (Rom.8:2).

Neem nu Paulus, "een vervolger van de gemeente, die naar de gerechtigheid van de oude wet onberispelijk was" (Fil.3:6). Door de ontmoeting met Jezus op de weg naar Damascus veranderde zijn leven volkomen. Abrupt kwam er een einde aan het vervolgen van de gemeente. Maar toen begonnen voor hem de problemen pas goed, toen de heilige Geest hem ervan overtuigde, dat ook zijn hart, ook al was hij farizeeŽr en schriftgeleerde, arglistig was en ongeneeslijk. Ook hij had een nieuw hart nodig, waarin God de wet van het nieuwe verbond kon schrijven. Ook hij moest gaan van oud naar nieuw en ervaren, dat "de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus vrij maakt van de wet van zonde en dood (Rom.8:2-3).

Als God Zijn Geest in ons hart legt en de wet van het leven in Christus erop schrijft, worden we veranderd en niet langer gedreven door verboden en voorschriften van buitenaf (Ez.36:24-32). "Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en Ik zal maken, dat u naar Mijn inzettingen wandelt en naarstig Mijn verordeningen onderhoudt" (Ez.36:27). Door wat Hij door Zijn Geest in ons hart legt, gaan wij verlangen Zijn wil te doen (Ps.40:9). Zo verandert onze innerlijke houding en krijgen we "deel aan de goddelijke natuur en ontkomen we aan het verderf dat door de begeerte in de wereld heerst" (2Pet.1:4).

Wat kan trouwens de oude, zondige aard van de mens goed gecamoufleerd worden! Door een goede opvoeding, goede vrienden en religieuze gewoonten kan alles aan de buitenkant best wel goed lijken. Maar hoe is het met ons hart? Hebt u Gods Geest wel in uw binnenste verwelkomd? Kan Hij Zijn wil in uw hart schrijven? Want "dit is het nieuwe verbond: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven" (Jer.31:33).

Wanneer Hij dat doet? Kijk naar het schaduwbeeld, IsraŽl. Het ontving Gods wet "in de derde maand na de uittocht uit Egypte, toen ze kwamen in de woestijn SinaÔ" (Ex.19:1). Later bleven de Joden deze wetgeving op SinaÔ gedenken op het "het pinksterfeest in de derde maand" (Deut.16:10, Lev.23:15-16). En uitgerekend op dat Joodse feest in de derde maand werd Gods Geest uitgestort op de wachtende discipelen en vervulde hun hart (Hand.2:1-13). Zo maakte Hij een begin met het schrijven van de wet van het nieuwe verbond in de harten van honderd twintig discipelen. En deze vernieuwing begint in ons, als ook wij door Hem gedoopt worden met de heilige Geest (vgl.Mat.3:11).

Dat gebeurde toen niet alleen met de honderd twintig discipelen, die eendrachtig en volhardend in gebed waren geweest (Hand.1:14-15). Duizenden aanvaardden het Woord en ontvingen de gave van de heilige Geest (Hand.2:37-47). Er werd een nieuwe gezindheid openbaar. "De menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, waren ťťn van hart en ťťn van ziel" (Hand.4:32). Er was eenheid in de geest, onbaatzuchtigheid, volharding en trouw. Dat was niet het gevolg van opgelegde wetten. Gods Geest was in hen gekomen. Hij schreef de wet van het leven in Christus in hun binnenste. Ze ervoeren de wet van het nieuwe verbond. Wat een dag! Niet alleen voor Joodse gelovigen, ook voor Samaritanen, ook voor heidenen (Hand.19:31, 0:45).

Eigenlijk zou ieder van ons zich steeds moeten afvragen: hoe ben ik bezig, oud of nieuw. Wordt mijn geloofsleven bepaald door regels van buitenaf, wetten van fatsoen, traditie, door kerkelijke wetten, voorschriften van Paulus, kerkhervormer, voorganger of medebroeder? Of leef ik in het nieuwe verbond? Kan Gods inwonende Geest Zijn wet in mijn hart schrijven? Is in mij ooit "de derde maand" aangebroken? Met andere woorden: heb ik pinksteren al persoonlijk ervaren? Nee? Laat Jezus u dan dopen met de heilige Geest, opdat ook van u gezegd kan worden: "De wet van zijn God is in zijn hart" (Ps.37:31). En opdat u zelf kunt zeggen: "Ik heb lust om Uw wil te doen, Uw wet is in mijn binnenste" (Ps.40:8). Dan zult u "het bad van de vernieuwing door de heilige Geest, die Hij rijkelijk over u heeft uitgestort door Jezus Christus" ervaren (Titus 3:5-7).

Wat geldt voor de wet van de Heer (Ps.119:1), geldt ook voor Zijn getuigenissen (v.2), Zijn bevelen (v.4), Zijn inzettingen (v.5), Zijn geboden (v.6), Zijn verordeningen (v.7), Gods Woord (Ps.119:9). Zijn Woord kan oud en nieuw tot ons komen. Zoals Gods wet eerst op steen en op papier kwam en toen in het nieuwe verbond in het hart, zo komt het Woord Gods ook tot ons. We aanvaarden eerst de bijbel als het Woord Gods op papier. Ook erkennen we de historische Jezus van 2000 jaar geleden als het vleesgeworden Woord van God (Joh.1:14). Pas als we het levende Woord van God in onze harten leren ontvangen als vernieuwende en levendmakende Geest, gaan we nieuw leren denken en nieuw leven. Eerst worden we vernieuwd in onze denkwijze (Rom.12:1-2). En dan? Dan komt "het Woord van Christus rijkelijk in ons wonen, zodat we in alle wijsheid elkaar kunt leren en terechtwijzen en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen God kan danken in onze harten", (Col.3:16).

De bijbel, Jezus, het Woord Gods. Hoe verhouden die zich eigenlijk tot elkaar? Welke rol had bij voorbeeld de schrift in het leven van Jezus die het Woord Gods wordt genoemd (Op.19:11-13)? Had Hij de schrift nodig?

Het antwoord ligt voor de hand. Toen Hij baby was, had Hij Zijn moeder nodig. Als kind had Hij Zijn ouders nodig. Om uit de wet en de profeten te horen voorlezen, had hij een synagoge nodig. En elke keer als er gesproken werd over b.v. David, als er een psalm werd gezongen of een profetie werd gelezen, herkende Hij, wat de Vader ook had gesproken in Zijn hart. Zo "nam Hij toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen" en verbaasde hij al als jongetje van twaalf jaar de schriftgeleerden met Zijn inzicht en Zijn antwoorden (Luc.2:47,52).

En toen Gods Geest op de volwassen Jezus was neergedaald in de vorm van een duif en Hij tot Zoon van God werd verklaard, had Hij de schrift om te leren niet meer zo nodig. Gods wet was nu in Zijn binnenste (Ps.40:9b). De band met Zijn hemelse Vader was volmaakt (Joh.17:21). Hij had niets van buiten meer nodig (Joh.8:28). Hij was nu het Woord van God (Op.19:13).

Hij zou nog wel met "wat er geschreven staat" satans kromme argumenten en de starre ideeŽn van de wetgeleerden ontzenuwen (Mat.4:1-11,21:13, Marc.7:6). Hij zou Zijn discipelen voorhouden, "dat alles wat over Hem geschreven stond in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moest worden vervuld " (Luc.24:44). Hij zou na Zijn opstanding "hun verstand openen, zodat ze de Schriften konden begrijpen" en "hun uitleggen, wat er allemaal in de schrift op Hem betrekking had" (Luc.24:27,45-47). Ja, Hij kende de schrift als geen ander en gebruikte die "om te onderwijzen, te weerleggen, te corrigeren en op te voeden in de gerechtigheid" (2Tim.3:16). Hij Zelf was het Woord en als zodanig had Hij de schrift voor Zichzelf niet echt meer nodig. Hij was volgroeid, onberispelijk, geheel nieuw, van boven (1Pet.1:19, Joh.8:23).

Ook daarin is Jezus een teken, een voorbeeld. Ook wij hebben in onze opvoeding tot gerechtigheid mensen en de bijbel nodig, totdat ook wij "de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben" (Ef.4:13). Ook wij mogen groeien van geestelijk kind tot geestelijk volwassene en geheel worden vernieuwd.

Waardoor wij geestelijk groeien? Door Zijn stem te gehoorzamen. Geestelijke groei komt niet door het eindeloos lezen van de bijbel, zoals de schriftgeleerden dat deden. Wie niet met het levende Woord leeft en wel de bijbel bestudeert, vergaart alleen maar intellectuele kennis, die aan het eind van zijn leven wordt meegenomen het graf in.

Het Woord van God groeit in ons op tot de maat van Christus als wij goede aarde zijn! Als goede aarde kennen we de verborgen omgang met God en doen met blijdschap Zijn wil. En dat levert vrucht op! "Schriftgeleerden" die zulke discipelen worden van het Koninkrijk der hemelen, halen dan uit hun voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn (Mat.13:52). Ze gaan die kennis in alle rust uitsorteren om erachter te komen wat oud is en wat nieuw (Mat.13:48). Het oude doen ze weg, het nieuwe wordt bewaard. Zo gaan ze hoe langer hoe meer beseffen, dat het ware brood, waarvan we zullen leven het Woord is, dat uit de mond van de levende God komt (Joh.6:51, Mat.4:4).

Begrijp me nu niet verkeerd. Het staat als een paal boven water, dat de bijbel door God is geÔnspireerd. Ik probeer alleen duidelijk te maken wat de plaats is van de bijbel in het nieuwe verbond. En dit zegt Jezus Zelf: "De Schriften zijn het, die van Mij getuigen" (Joh.5:39). Oud is dus het getuigenis via de letter of via een mens (="van horen zeggen", Job 42:5a). Nieuw is het kennen door de Geest van God (="aanschouwen", Job 42:5b). Gods weg met de Zijnen is van oud naar nieuw.


GODS NIEUWE ONDERRICHT

"Ze zullen niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren, want ze zullen Mij allemaal kennen, van de kleinste tot de grootste ...." (Jer.31:34).

Johannes bevestigt deze woorden als volgt: "De zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en het is niet nodig, dat iemand u leert. Zijn zalving zal u alles leren" (1Joh.2:27).

Wat voor Gods wet en Zijn Woord geldt, geldt ook voor wat we leren. We kunnen van buitenaf worden geleerd, door mensen, boeken of preken. We kunnen ook door de Geest die in ons woont worden onderwezen. Het eerste is oud, het tweede nieuw. Als Gods Geest ons van binnenuit onderwijst, is dat geen interpretatie meer van bepaalde waarheden (=wat de mens ervan denkt), maar directe communicatie (openbaring) van de Geest der waarheid.

Jezus was de leermeester voor Zijn discipelen. Op een gegeven dag zei Hij tegen hen: "Het is beter voor jullie, dat Ik heenga. Want als Ik niet wegga, kan de Trooster niet tot jullie komen. Nog veel heb Ik te zeggen, maar jullie kunnen dat nu nog niet dragen; maar wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij jullie de weg wijzen tot de volle waarheid. Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar alles wat Hij hoort, zal Hij spreken en Mijn komst zal Hij jullie aankondigen" (Joh.16:7,12-13).

Het is beter voor jullie .....! Een betere leraar dan Jezus van Nazareth kun je je niet voorstellen! Nooit had een mens zo gesproken als Hij, met gezag en met woorden van eeuwig leven (Joh.6:68, 7:46). Maar tůch zou het nůg beter zijn voor de discipelen, als de heilige Geest Zelf in hun hart kon spreken. Ook wat Jezus Zijn discipelen leerde, kwam tot hen van buitenaf. Ze zouden binnenkort van binnenuit onderwezen worden door de Geest der waarheid. Dat was beter voor hen.

Toen Jezus vroeg, wie Hij was en Petrus antwoordde: "U bent de Christus, de zoon van de levende God", zei Hij: "Je bent zalig (=te benijden), Simon Barjona, want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemel is. En Ik zeg je, dat je Petrus (=rots) bent en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen (Mat.16:17-18). Hoort u het goed? Jezus bouwt Zijn gemeente niet op menselijke kennis, maar op goddelijke openbaring.

Beter voor ons! Vergelijk nu Jezus' woorden eens met wat Mozes, de herder in het oude verbond, zei aan het eind van zijn leven: "Ik weet, dat jullie na mijn dood zeer verderfelijk zullen handelen en zullen afwijken van de weg, die ik jullie voorgehouden heb" (Deut.31:29). Valt de leider weg, dan stort alles in. Dat is oud.

Let nu ook eens op de profetie van JoŽl, die Petrus aanhaalt op de pinksterdag: "Het zal geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alles wat leeft, en uw zonen.... dochters.... ouden.... jongelingen.... zelfs uw dienstknechten en dienstmaagden" zullen directe, persoonlijke, innerlijke openbaring van God ontvangen in profetieŽn, dromen, gezichten en wondertekenen (JoŽl 2:28-29). Dat is nieuw!

Daarom zou niemand, of het nu een voorganger, herder of leraar is, mensen blijvend aan zich of aan zijn gemeente moeten binden. Johannes de Doper wees van zich af. Hij wees zijn discipelen op Jezus en liet hen gaan (Joh.1:29-34). Zelfs Jezus vond het beter, dat Hij plaats ging maken voor de Geest der waarheid. Deze zou in Zijn discipelen komen "en hun de weg wijzen tot de volle waarheid. Wat Hij hoort, zal Hij spreken". "Hij zal het uit het Mijne nemen en het aan jullie zeggen" (Joh.16:12-15).

Maar helaas! De meeste religieuze leiders voelen zich zo verantwoordelijk voor hun schaapjes, dat ze hen stevig onder controle houden. Ze voeden hen wel op, maar vinden het moeilijk hen daarna aan de hoede van de heilige Geest toe te vertrouwen. Er staat wel: "De Heer is uw Bewaarder" (Ps.121:5). En "Mijn schapen horen naar Mijn stem. Ik ken ze en ze volgen Mij" (Joh.10:27). Maar toch vinden ze, dat iedereen zonder uitzondering naar een kerk of samenkomst moet blijven gaan. Om niet te verslappen heb je dat toch nodig!

Eerlijk is eerlijk: dat is ook zo voor onmondige en geestelijk nog onvolwassen kinderen van God. Daarom geldt voor wie Hij heeft aangesteld om anderen te hoeden en op te voeden in de gerechtigheid: "Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat u in alle wijsheid elkaar kunt leren en terechtwijzen" (Col.3:16).

Maar wie de goede Herder heeft leren volgen, moet vrijgelaten kunnen worden. De Heer is hun Bewaarder. Maar over het algemeen is er niet zo veel vertrouwen in de bewarende kracht van de Heer (vgl Ps.121:1-8). We houden het liever bij het oude. Trouwens, ook de leiders in Jezus' dagen hadden het oude veel liever dan het nieuwe. Van hen zei Jezus: "Niemand, die oude wijn gedronken heeft, wil jonge, want hij zegt: Die oude is toch voortreffelijk" (Luc.5:39).

Nu een belangrijke vraag: hebben we dan helemaal geen leraars meer nodig? Natuurlijk wel! Eerst oude, en dan ook de Nieuwe. "God heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars" (Ef.4:11). Waarom? Om jonge gelovigen te beschermen tegen misleiding. Ze zijn nog "onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen" (Ef.4:14). Ze hebben zeker nog hulp nodig van oprechte medebroeders, totdat ook zij komen tot geestelijke volwassenheid (Ef.4:13). Totdat ook zij zelf uit Hem kunnen putten en door Hem geleerd worden en zichzelf kunnen opbouwen in de liefde (Ef.4:16). Want God heeft beloofd, dat "uw leraars (andere vertaling: uw Leraar=de heilige Geest) zich niet meer zullen verbergen, maar uw ogen zullen Hem zien (=kennen); en als u rechts of links zou willen gaan, zult u het woord horen: Dit is de weg, wandel daarop" (Jes.30:20-21). Niemand kan dus zo maar ineens in het nieuwe verbond beginnen. Eerst hebben we oude leraars nodig, dan dť Leraar. Zonder het oude kan niemand gaan van oud tot nieuw.

Dat geldt dus voor iedereen. De Joden hadden de wet van Mozes, totdat ze met Christus zouden kunnen leven (Gal.3:24). De gelovigen uit de heidenen die de wet van het oude verbond nooit hadden gekend, moesten ook gaan van oud tot nieuw en daarom gaf Paulus hun talrijke regels en aanwijzingen, om hen in het gareel te houden, totdat ook zij hun groei aan Christus zouden kunnen ontlenen. En voor moderne kerkmensen gelden kerkelijke regels en gewoonten, totdat ook zij in nieuwheid des levens kunnen gaan wandelen. Iedereen krijgt dus te maken met een tuchtmeester, een voogd, een toezichthouder totdat .....! "Zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles; hij staat onder voogdij en toezicht tot de tijd, die door zijn vader bepaald is" (Gal.4:1-2).

Dat is dus nodig, omdat geestelijk onvolwassenen nog ontvankelijk zijn voor "het valse spel van mensen, dat sluw tot dwaling verleidt" (Ef.4:14). Dat geldt zeker ook in deze tijd, waarvan Jezus zei, dat er veel valse profeten zouden opstaan (Mat.24:24). "Ze komen in schapenvacht, maar van binnen zijn ze roofgierige wolven" (Mat.7:15). Velen zouden zich laten verleiden (Mat.24:11). Ze herkennen de wolven in schaapskleding niet. Ze herkennen ook de door God gezonden apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars niet en zijn dan ook een gemakkelijke prooi voor valse apostelen, profeten en leraars. Ieder mens, jong of oud, die nog niet geestelijk volwassen is, blijft onderdanig aan regels van buitenaf. Eerst het oude, dan het nieuwe.

Ook kinderen van godvruchtige ouders verkeren in zo'n situatie. Ouders, die ervaren in het nieuwe verbond te leven, moeten hun kinderen wis en waarachtig door regelgeving disciplineren, totdat ze zelf de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor hun keuzes. Zelfs als kinderen duidelijk aangeven, de Heer Jezus te willen volgen, dan nůg kunnen ze niet van regels worden vrijgesteld. Daar zijn ze nog niet klaar voor. Zelfs Jezus onderwierp zich aan regelgeving en was Zijn ouders onderdanig (Luc.2:51).

Herders en leraars zijn dus nodig om jong gelovigen te leiden totdat ze komen tot geestelijke volwassenheid. En hun taak is klaar, als hun leerling zelf weet te putten uit de bron van levend water en zijn weg weet te vinden tot gemeenschap met andere heiligen. Dan is ook de tijd gekomen, dat deze op zijn beurt anderen kan leren en verder helpen (vgl. Heb.5:12). Voor hemzelf geldt nu vooral: laat de zalving, die je van Hem hebt ontvangen op je blijven ........" (1Joh.2:27).

Heb je dan met anderen niets meer te maken? Integendeel! Je weet je met oprechte gelovigen juist zeer sterk verbonden, van welke geestelijke achtergrond ze ook zijn. Het betekent wel een bevrijding van de exclusieve kliekjesgeest die in de godsdienstige wereld heerst. In Christus komen we tot de inclusieve gezindheid (=denkwijze) die allen aanvaardt. Door Zijn Geest herken je, wie met kracht wordt gesterkt door Zijn Geest en in wie Christus woning heeft gemaakt (Ef.3:16-17). Je wťťt met wie je bent gedoopt tot ťťn lichaam (1Cor.12:13). Je vult elkaar aan. Je weet aan elkaar te zijn gegeven om elkaar te bevestigen en te bemoedigen op de smalle weg omhoog. Er staat: "Samen vatten we met alle heiligen, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is van de liefde van Christus, opdat we vervuld worden tot alle volheid Gods" (Ef.3:18-19). Dat is wat men noemt gemeenschap der heiligen, maar dan nieuw, in geest en waarheid. Ja, ook onze gemeenschapsbeleving wordt door Jezus nieuw gemaakt.


HET VOLK VAN HET NIEUWE VERBOND

"Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn...." (Jer.31:33).

Eerst iets over Gods oude volk, dan iets over het nieuwe. In het oude verbond koos God IsraŽl als volk voor Zijn naam uit alle andere volkeren der aarde. Uitgaand van die verkiezing is IsraŽl tot op de dag van vandaag Gods uitverkoren volk naar de natuurlijke orde. Om bij dat natuurlijke volk te horen, moet je uit een moeder van dat volk geboren zijn.

IsraŽl is door de eeuwen heen een bijzonder volk geweest. De Almachtige leidde het met grote kracht uit Egypte. Paulus zegt: "Onze vaderen waren allen onder de wolk, gingen allen door de zee heen, lieten zich allen in Mozes dopen in de wolk en in de zee, aten allen hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allen dezelfde geestelijke drank, want ze dronken uit een geestelijke rots, die met hen meeging, en die rots was de Christus" (1Cor.10:1-4). "En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want ze werden neergeveld in de woestijn" (1Cor.10:5). En, zegt Paulus, dat alles is ons ten voorbeeld geschied (1Cor.10:6).

Ja, alles wat het volk van het oude verbond overkwam, is een voorbeeld voor het volk van het nieuwe verbond. Zoals Mozes IsraŽl destijds uit Egypte leidde, zo leidt de goede Herder nu het volk van het nieuwe verbond uit de macht van "Egypte" (=het vlees), om de Vader te dienen in "de woestijn" en om uiteindelijk in het hemelse Jeruzalem te worden gesteld "tot een licht der volken, opdat Zijn heil kan gaan reiken tot het einde der aarde" (Jes.49:6, Op.21:24).

IsraŽl is Gods volk in de oude orde. Het is een natuurlijk volk, in een aards land, met een aardse hoofdstad, met van buitenaf opgelegde wetten, met rabbijnen als leraars. Het had vroeger een zichtbare tempel, waarvan velen nu wensen, dat die weer zal worden herbouwd en waarin de priesterdienst, de offerdienst, de feesttijden van de Heer, ja, alles weer zal worden ingesteld zoals het eens was. Dat is dus een denkfout, want de bijbel zegt nadrukkelijk, dat het natuurlijke eerst komt, dan het geestelijke (1Cor.15:46). Eerst het oude volk, dan het nieuwe, waarin Jood en niet-Jood in eenheid samenwonen in een hemels heiligdom. Velen denken, dat al het oude moet worden hersteld. Maar Jezus zegt: "Zie, Ik maak alle dingen nieuw" (Op.21:5).

Nog zo'n universele denkfout is, dat alleen IsraŽl een oud volk zou zijn. Maar alles wat gestoeld is op natuurlijk denken, geleid wordt door regels van buitenaf en waar mensen onderwijzen, is oud. Het hoeft niet verkeerd te zijn, maar het is niet nieuw. Dat geldt ook voor kerken, gemeenten en groeperingen. Net zoals IsraŽl God diende in de tempel in Jeruzalem en in plaatselijke synagogen, zo gebeurt dat ook nu nog op die "oude" wijze in gebouwen, waarin de Vader niet woont (Hand.17:24).

In die "huizen" wordt wel veel over God gepraat, maar wordt het levende Woord van God er tevens van alle kracht beroofd ter wille van de traditie en het eigen belang (Mat.15:6). Ontegenzeggelijk wordt er veel goeds gedaan: kinderwerk, jeugdwerk, catechisatie, evangelisatie, exegese. Daarnaast zijn voorgangers vaak zů bezig met het steeds maar aan de gang houden van de samenkomsten, met allerlei problemen, met zů veel oude futiliteiten, dat de vraag zich opdringt, of ze ook niet zijn als blinden die blinden leiden en daardoor, zonder het te beseffen, de kudde misleiden (Mat.15:14).

Ook uit hen kiest God voor Zich een nieuw volk. In het nieuwe verbond vergadert Hij Zich niet een volk voor Zijn naam uit het natuurlijke IsraŽl alleen, maar ook uit de heidenen (Hand.15:14). Dat nieuwe volk wordt "van boven verwekt", uit "Woord (=water) en Geest geboren" (Joh.3:3,5), "uit God geboren" (Joh.1:13). Het levende Woord blijft in hen (1Joh.3:9). Het overwint de wereld in hen (1Joh.5:4). De Vader vergadert hen allen tot waar Hij is. Hij legt Zijn wet in hun binnenste en schrijft die in hun hart. Hij is hun God. Zij zijn Zijn volk. En samen vormen ze het huis van de Vader. Ze kennen Hem allemaal, van de grootste tot de kleinste (Jer.31:34).

Zijn dit nu mensen met grote natuurlijke capaciteiten en talenten? Sommigen wel, anderen niet. Paulus zegt o.a. tegen de CorinthiŽrs: "Kijk maar eens naar uzelf, broeders. Onder u die door God geroepen werden, zijn, menselijk gesproken, niet veel grote denkers, niet veel invloedrijke en vooraanstaande personen. Nee, God heeft juist wat voor de wereld dwaas is, uitgekozen om hen die zichzelf zo wijs vinden, terecht te wijzen. Hij heeft de zwakken van de wereld uitgekozen om de sterken te beschamen" (1Cor.1:26-27, Het Boek). Het volk van het nieuwe verbond heeft geestelijke kennis, geestelijke talenten, geestelijke vaardigheden, die doorgaans verborgen zijn voor de natuurlijke mens met al zijn intellect.

Men hoort wel eens zeggen, dat het een voorrecht is om door geboorte te mogen horen tot het eerste volk van God, IsraŽl. Het is ook een voorrecht om te zijn opgevoed in een christelijk gezin, waar men trouw naar de kerk of de samenkomst gaat. Maar het is een nog groter voorrecht om deel te gaan uitmaken van Gods nieuwe volk. "Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn". Dat is een nieuw volk voor Zijn naam, uit IsraŽl en uit de heidenen, waarin Jezus nu al alles nieuw kan maken (Op.21:5)! Haar land is niet aards, in het Midden Oosten of zo. Nee, het Koninkrijk van God is een beter vaderland. Het is niet van deze wereld, maar hemels, nieuw (Joh.18:36, Heb.11:15).

Weet u, dat toen Abraham uiteindelijk in Kanašn kwam, hij ervoer, dat hij er nog steeds niet was. Hij kwam "in het land der belofte, maar als in een vreemd land" (Heb.11:9a)? Daarom bouwde hij er geen huis voor zichzelf en geen stad voor de velen, die bij hem waren. Ze bleven er in tenten wonen, bereid om verder te trekken. Dat deden ook Izašk en Jakob, die medeŽrfgenamen waren van dezelfde belofte, die God hem had gedaan (Heb.11:9b). Die belofte ging over een hemelse stad, een nieuw Jeruzalem, een stad die God had ontworpen, een stad die Hij bouwt (Heb.11:10,16, Op.3:12).

Aan allen tot wie Hij kan spreken, zoals Hij dat tot Abraham deed, toont de Heer het nieuwe en geeft Hij de belofte het te beŽrven. Ze gaan zien, dat alles wat mensen van de grond hebben gekregen tijdelijk is. Vroeg of laat stort dat allemaal weer in. Het gaat hen om wat God heeft getoond in geestelijke sferen: de nieuwe (=eeuwige, geestelijke) realiteiten van het hemelse Jeruzalem. Ook zij hebben de stad Gods van het nieuwe verbond gezien als een glorieus "nieuw" paradijs (vgl. Op.2:7).

Dit nieuwe paradijs wordt in de bijbel zeer gedetailleerd beschreven. Toen Johannes in de geest werd weggevoerd "op een grote en hoge berg", zag hij de heilige stad van God neerdalen uit de hemel (Op.21:10). Hoe moest hij onder woorden brengen, wat hij zag? Hoe beschrijf je een geestelijke realiteit, die de heerlijkheid Gods uitstraalt? (Op.21:11). Alles gaat er elk menselijk voorstellingsvermogen te boven. De uitstraling van de stad leek op zeer kostbaar gesteente, als kristalheldere diamant" (Op.21:11). Ze had fundamenten versierd met edelstenen (Op.21:19). "Iedere poort was ťťn parel" (Op.21:21). Ook "haar muur was diamant en de stad was als zuiver goud, als zuiver glas" (Op.21:18).

Johannes zag er personen als bomen. In het midden van dit nieuwe paradijs stond de boom des levens, de Christus, waarvan wie overwint zal gegeven worden te eten (Op.2:7,22:2a). Tevens zijn er de Zijnen, "het geboomte des levens aan weerszijden van de rivier, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende". Het zijn "terebinten (eiken) van gerechtigheid, geplant door de Heer als teken van Zijn luister" (Jes.61:3, NBV).

Er stroomt ook een rivier, een stroom van "water des levens, helder als kristal, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam" (Op.22:1). Dat is het levendmakende water, waarvan Jezus zegt: "Wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh.4:14)./p>

Het licht van die "stad" is de waarheid "als een kristalheldere diamant" (Op.21:11). Het is er gaan schijnen "tot de volle dag" (Spr.4:18, Op.21:22-25). Niets meer is er verduisterd door het natuurlijke denken over de letter van de schrift. Hier ziet men "van aangezicht tot aangezicht" (1Cor.13:12). Alle schaduwen zijn geweken, ieder mens is verlicht (Joh.1:9). Alle opvattingen over God en Zijn heerlijkheid zijn verzwolgen door "het aanschouwen van de liefelijkheid van de Heer in Zijn tempel" (Ps.27:4).

Ook aan Job (=de tot zoonschap en koninklijk priesterschap geroepene) toonde God al deze nieuwe realiteiten: hij ging "aanschouwen" (Job 42:5). De Heer sprak tot hem over hemel, zee, aarde, licht en duisternis (38:1,4-21). Hij mocht de winden, wolken en sterren zien in geest en waarheid (38:22-38). Hij ging allerlei creaturen kennen, ieder naar zijn aard (39:1-33): de leeuwin, de raaf, de gems en de hinde, de wilde ezel (=Ezau, Gen.16:12), de ontembare woudossen (de geweldenaars, Deut.33:17, Jes.34:7), de struis (=het liefdeloze Babel) en het paard (=het overmoedige vlees), de valk en de gier (39:37-38), ja zelfs Behemoth (=groot dier, 40:10-19) en Leviathan (watermonster, 40:20-41:25), de gigantische grootmachten, die we tegenkomen in het laatste bijbelboek. Job ging zien, kennen, begrijpen (Job 42:3b). Hij was na een intense loutering gegaan van oud naar nieuw.


PERSOONLIJK VAN OUD TOT NIEUW

Net als Abraham, de stamvader van de IsraŽlieten en de "vader van alle onbesneden gelovigen" (Rom.4:11) begint elke naar waarheid zoekende gelovige in het oude. Abraham trok uit Ur der ChaldeeŽn, kwam in Kanašn, maar bleef verlangend uitzien naar het koninkrijk der hemelen (Hebr.11:9-10). Iedereen begint in het natuurlijke (1Cor.15:46, 2Cor.4:18, Hebr.10:1a). Eerst het oude, dan het nieuwe, dat de Heer Jezus ons wil ontsluiten door Zijn Geest.

Ook bij ons lagen in het begin nog heel wat aspecten van ons geestelijk bevattingsvermogen op het natuurlijke vlak. Ik beschouwde de bijbel als hťt heilig Woord van God. Het ritueel met brood en wijn was voor mij dť maaltijd van de Heer. De kerk waar ik lid van was, was de Gemeente, de predikanten de leraars uit EfeziŽrs 4:11. Gods uitverkoren volk was IsraŽl, de heilige stad was Jeruzalem in het Midden Oosten. Natuurlijk wist ik wel, dat het in de bijbel gaat om hogere waarheden, maar ik herkende die maar heel beperkt. Ik paste daarom de bijbel toe op tal van aardse situaties, totdat er een wegbereider, een Elia, me wees op het koninkrijk der hemelen en me opriep om de hemelse Koning te volgen die tot mij zou willen spreken door Zijn Geest.

Jezus zou nieuw maken (Op.21:5). Hij zou de vervulling geven van de oude schaduwbeelden en onze ogen openen voor geestelijke, eeuwige realiteiten (1Cor.15:46, 2Cor.4:18, Hebr.10:1a). We zouden komen tot het nieuwe, tot het koninkrijk der hemelen met eeuwige waarheden en geestelijke realiteiten in Christus (Hebr.10:1b, Col.2:16-17, Joh.1:17). Toen we daar iets van gingen zien, leerden we steeds consequenter de schrift toe te passen op geestelijke realiteiten, dus niet meer op aardse schaduwbeelden alleen.

De Heer Jezus had dat ook gedaan, als eerste, en daardoor kwam Hij regelmatig in conflict met de Joodse schriftgeleerden. Hij dacht in geest en waarheid, de schriftgeleerden in aardse termen. In Hem waren eeuwige, geestelijke, waarachtige realiteiten vlees en bloed geworden; de schriftgeleerden leefden met de wet van Mozes, waarin deze realiteiten alleen maar als schaduwbeelden werden beschreven (Hebr.10:1).

Het is net als met iemands foto en de persoon zelf. Een foto is maar een afbeelding. De persoon zelf is veel belangrijker. Als hij of zij er is, is de foto nog wel interessant, maar niet het belangrijkste meer. Zo verhoudt het oude verbond zich tot het nieuwe. Het oude is een plaatje van de werkelijkheid die komen zou. Het oude verbond is een perfecte fotoalbum. Het nieuwe verbond is beter. Daar krijgen we te maken met blijvende realiteiten zelf. En naarmate we in het nieuwe verbond leren leven, verliezen de dingen van het oude steeds meer hun glans. Velen hebben ervaren, dat, "als God spreekt van een nieuw verbond, Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaart. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning" (Hebr.8:13).

Herhaaldelijk lezen we in de evangeliŽn: "Ze begrepen niet wat Hij zei" (b.v. Joh.10:6). Dit kwam niet, omdat Jezus niet goed onder woorden kon brengen, wat Hij bedoelde. Het kwam, omdat Hij sprak over het nieuwe. Hij was van boven, de toehoorders die Hem niet begrepen waren van beneden (Joh.8:23). Met Zijn geest was Hij in het domein van hemelse realiteit, terwijl zij dachten in aardse termen. Hij was uit God die Geest is. Zij waren nog natuurlijk en vleselijk ingesteld. Jezus bracht bevrijding van zonde en satan. Zij verlangden de bevrijding van de Romeinse onderdrukking. Hun (natuurlijke) ogen konden de pracht waarderen van de tempel van Herodes (Mat.4:1). Jezus' (geestelijke) ogen waren meer geÔnteresseerd in het nieuwe Huis, waar de Vader echt in wil wonen.

Wie Jezus volgt, zal net als Hij leren denken. Hij leert de dingen te bedenken die boven zijn en schatten in de hemel te verzamelen (Col.3:2, Mat.6:20). Hij leert het kruis op te nemen: "Indien iemand achter Mij wil komen, laat hij zichzelf dan verloochenen en zijn kruis opnemen" (Mat.16:24). Het kruis spreekt van dood aan het natuurlijke. Daarom is het kruis een aanstoot voor hen die naar het vlees leven, maar het is daarentegen een heerlijke bevrijding voor wie God zoekt in geest en waarheid. Als wij Hem volgen, leidt Hij ons uit het oude en naar het nieuwe.


DE VERNIEUWING VAN ONS DENKEN

In Jeremia 31:31-34 hebben we gezien, dat God met het nieuwe verbond Zijn nieuwe wet in onze harten wil schrijven, ons wil leren door Zijn Geest en ons aanneemt als Zijn volk. Verandert er nog meer?

Er is oneindig veel meer als ons denken wordt vernieuwd! Door de heilige Geest worden we "hervormd door de vernieuwing van ons denken en dan mogen we gaan zien, wat God eigenlijk wil" (Rom.12:2). Zo komt in ons "de gezindheid die ook in Christus Jezus was" (Fil.2:5). Wat bedoelt Paulus daarmee? Wat is de gezindheid van Christus?

Het Griekse woord voor gezindheid is phroneo en betekent denkwijze, manier van denken. Christus betekent gezalfde. We moeten ons dus de wijze van denken van de Geest eigen maken en niet langer alles van de bijbel op een menselijke wijze interpreteren en toepassen op aardse situaties. Alleen als we die manier van denken aanvaarden, kan Hij in ons alles nieuw maken. Hij verzegelt dan Zijn knechten aan hun voorhoofd (=in hun denken), om in hen een begin te maken met "het bad van de vernieuwing door de heilige Geest"( vgl.Op.7:3, Titus 3:5).

Als we eenmaal iets van het nieuwe van het koninkrijk der hemelen gaan zien, toont de heilige Geest ons hoe langer hoe meer. We gaan ook zien, hoe consequent de bijbel is, soms zů eenvoudig, dat je je verbaasd afvraagt, waarom je dat niet eerder hebt kunnen zien. Van oud tot nieuw. Van een zichtbare wet van buitenaf, op steen of op papier, tot een wet in je diepste wezen. Van het leren van menselijke leraars tot het leren van de Geest van God in je binnenste. Van kerkelijk volk van God tot ware kinderen van Abraham in geest en waarheid. Van een sabbat van 24 uur tot de eeuwige rust die God geeft in je hart (vgl.Hebr.4:1-13).

Er zijn enkele basisbegrippen, die alle gelovigen zonder slag of stoot aanvaarden als nieuw. Het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt is voor iedereen de Heer Jezus, niet meer een oudtestamentisch offerdier. Waarom denken veel christenen niet consequent op die manier verder en zoeken ze niet in alle oudtestamentische begrippen meteen naar de inhoud en de geestelijke realiteit ervan? Waarom houden de meesten van ons zich zo vast aan natuurlijke zaken? Het antwoord is eenvoudig: we zijn nog niet voldoende hervormd door de vernieuwing van ons denken (Rom.12:1-2).


DE OVERGANG

Wie het eens is met wat er tot op heden gesteld is, zal zich misschien toch wel afvragen, hoe je dit in de praktijk moet toepassen. Hoe onderscheiden we het oude van het nieuwe? Wanneer krijg je deel aan het nieuwe? Wanneer valt het oude weg?

Doorgaans denkt men, dat het is of.....of. Om een enkel voor de hand liggend voorbeeld te gebruiken: of je gelooft, dat het begrip IsraŽl de Joodse staat is, of je gelooft, dat het de Gemeente is. Maar het is en.....en. De Joden, die momenteel leven in de staat IsraŽl (Joden=alleen de stam van Juda dus) maken deel uit van Gods (natuurlijke) volk. Maar alle gelovigen in Christus samen zijn ook Gods volk, maar dan nieuw. Het is en.....en. Het oude verbond, dat God middels Mozes met IsraŽl sloot, was goed. Het nieuwe verbond in Jezus' bloed is ook goed. God sluit geen slechte verbonden.

Het nieuwe verbond, waarvan Jezus de middelaar is, is alleen beter, verhevener (Hebr.8:6). God had namelijk iets beters met ons voor (Hebr.11:40). Voor ons gelden betere beloften (Hebr.8:6). Hij belooft ons geen aards land, maar "een beter, dat is een hemels vaderland" (Hebr.11:16). Hij toont ons niet een aardse, "maar een grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping" (Hebr.9:11). Zo belooft Hij ons talloze geestelijke realiteiten. En "voor hen, die daarnaar verlangen, schaamt God Zich niet hun God te heten" (Hebr.11:16). Voor hen geldt: "Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn" (Jer.31:33).

Wat is Gods plan met de mens toch geweldig! Betere beloften, terwijl het beste nog moet komen! Want na een goed verbond met een aards volk en een aards Jeruzalem, na een beter verbond met een geestelijk volk dat woont in een beter vaderland met een hemels Jeruzalem, zal er "een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en ze zullen zijn volken zijn en God Zelf zal bij hen zijn" (Op.21:3).

Jesaja had dat al mogen profeteren: "Over Sion (=het ware Jeruzalem) zal de Heer opgaan en Zijn heerlijkheid zal over haar gezien worden en de volken zullen opgaan naar haar licht" (Jes.60:2-3). Volken gaan wandelen in het licht van het nieuwe Jeruzalem (Op.21:11,24). De Gemeente wordt een licht voor de natiŽn (Jes.42:6). Want "het is Mij te gering, dat jullie Mij tot een knecht zouden zijn om de stammen van Jakob weer op te richten: Ik stel jullie tot een licht der volken, opdat Mijn heil zal reiken tot het einde der aarde" (Jes.49:6, vgl Hand.13:47).

Wie het verschil is gaan zien tussen oud en nieuw, zal ontdekken, dat het nieuwe steeds belangrijker wordt en het oude hoe langer hoe minder. De nadruk komt hoe langer hoe meer te liggen op hemelse realiteiten. We ervaren steeds meer nieuwheid des levens, al naar gelang we het leven in Christus beter leren kennen. Als wij, "ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toegroeien, die het hoofd is, Christus" (Ef.4:15), maakt Hij in ons zelfs alles nieuw. Dan verliest het oude voor ons hoe langer hoe meer zijn bekoring en verdwijnt het geleidelijk uit ons denken. Helemaal!

In nieuwheid des levens wandelen is een levensstijl, waarvan Jezus zegt, dat de tijd daarvoor nu is aangebroken (Joh.4:23-24). Deze nieuwheid van leven overstijgt rituelen, tijd en plaats van aanbidding (Joh.4:20-24). Het is leven in de geest. Het betreft hemelse, geestelijke, eeuwige waarheden. Deze zullen toenemen, het oude zal minder worden, net "zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben en het beeld van de hemelse zullen dragen" (1Cor.15:49). Het is een groeiproces, een stap voor stap binnengaan van het hemelse Koninkrijk van God (vgl.Joh.3:5).

Vaak wordt geprobeerd het nieuwe leven van het Koninkrijk der hemelen in te passen in bestaande godsdienstige structuren, waar het oude (=menselijk verstand en regelgeving) overheerst. Jezus heeft er voor gewaarschuwd, dat dit niet kan. "Niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders zal de wijn de zakken doen barsten en de wijn gaat verloren met de zakken. Maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken" (Marc.2:22). Stilstand is achteruitgang.

We kunnen alleen maar vooruit, op de weg des levens. Want "niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods" (Luc.9:62). Wie omziet of blijft staan, brengt uiteindelijk vroeg of laat een menselijke namaak voort, Babel, waarin wordt gewerkt in eigen kracht en op eigen initiatief.

Tenslotte nog dit: de Heer Jezus kende het oude verbond als geen ander ťn Hij leefde in geest en in waarheid. Hij had in Zichzelf al het oude vernieuwd en de hele wet vervuld. Veel van Zijn eerste discipelen volgden Hem hierin na. Die wandelden ook in nieuwheid des levens en werden daarom heftig vervolgd. De brief aan de HebreeŽn is geschreven met de bedoeling, om hen aan te moedigen om zo te blijven wandelen en niet terug te keren naar het oude. Daarom zegt de schrijver onder andere: "Jullie zijn niet gekomen tot de tastbare berg en het brandende vuur, maar tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond. Zie er dan op toe, dat u Hem die spreekt, niet afwijst!" (Hebr.12:18-24).

Ook wij mogen de Heer Jezus aanvaarden als de middelaar van het nieuwe verbond. Laten ook we er op toezien, dat we Hem, die in onze harten wil spreken, niet afwijzen. Hij wil ook ons uitleiden naar "het beloofde land" en in ons steeds meer dingen nieuw maken.

Home page