Home page




Het
loofhuttenfeest



"Allen,
die in IsraŽl geboren zijn,
zullen in loofhutten wonen"
(Lev.23:40-42).


INLEIDING

De feesttijden van de Heer typeren op schitterende wijze, hoe God Zijn volk uit- en inleidt. Ze worden uitvoerig besproken in Leviticus en in Deuteronomium. De cyclus ziet er als volgt uit:

In de eerste maand:
1. Het pascha (Ex.12:1-23, Lev.23:4-5)
2. Het feest van de ongezuurde broden (Ex.12:18, Deut.16:3-4)
3. Het bewegen van de eerstelingsgarve (Lev.23:10-14)

In de derde maand:
4. Het pinksterfeest (Ex.23:16, Lev.23:15-21, Deut.16:9-12)

In de zevende maand:
5. Het blazen op de bazuinen (Lev.23:24-25)
6. De grote verzoendag (Lev.16, Lev.23:27-32)
7. Het loofhuttenfeest (Ex.23:16, Lev.23:34-44)

In "Van pascha tot loofhutten" hebben we de weg tot het loofhuttenfeest besproken. Nu de heerlijke feesttijd waar die weg eindigt: op het feest van ware eenheid, van volle vreugde, van de volledige oogst van Gods akker, van de volmaakte rust die God geeft, van ongekende heerlijkheid, van algeheel herstel en van de verschijning van de Heer.


HET FEEST VAN WARE EENHEID

Het loofhuttenfeest begon op de vijftiende van de zevende maand. Op die dag verzamelden de IsraŽlieten palmtakken, twijgen van loofbomen en wilgen en bouwden daar hutten van. Want God had bepaald: "Allen die in IsraŽl geboren zijn, zullen in loofhutten wonen" (Lev.23:40-42).

Deze hoogtijdag van de Heer is een prachtig beeld van de gemeenschap der heiligen. Elke IsraŽliet moest het zijne verlaten: zijn woning, zijn kudde, zijn zaak, zijn boerderij, zelfs zijn nieuwe oogst. Ieder moest zich richten naar "de plaats die de Heer verkiezen zou" (Deut.16:15). Dat was Jeruzalem. Op de hoofdwegen ernaar toe of in de stad zelf woonde men zeven dagen lang in loofhutten, want "uw geslachten moeten weten, dat Ik de IsraŽlieten in hutten heb laten wonen, toen Ik hen uit het land Egypte leidde" (Lev.23:43). Niemand hoefde te vrezen, dat de vijand hun huizen tijdens hun afwezigheid zou aanvallen en leegplunderen. Wie gehoorzaamde, was veilig. "Niemand zal uw land begeren, wanneer u opgaat om voor het aangezicht van de Heer uw God te verschijnen" (Ex.34:24).

Als wij nu eens beseften wat dit allemaal betekent, dan zouden we ons niet meer zo druk maken over onze groepjes en kerkjes. We zouden blij "uitzien" en "opgaan" naar "het hemelse Jeruzalem" en ons "verzamelen". Ook voor nu geldt: wie gewillig is en gehoorzaamt, heeft niets te vrezen. De Heer zal zorgen voor onze geestelijke "huizen" en alles wat we "bezitten". Wat werkelijk door Hem gewild is, zal Hij voor ons beschermen.

Het is Gods wil, dat ook wij "opgaan naar Jeruzalem" in "de zevende maand" om er "in loofhutten te wonen". Dat kan alleen, als we functioneren als leden van de ware ekklesia in de geest en niet als leden van een bepaalde kerk of groep. Een andere oplossing om te komen tot blijvende eenheid is er niet. Jezus bad daarom: "Heilige Vader, bewaar hen in Uw naam, dat ze ťťn zijn zoals Wij. En Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor wie door hun woord in Mij gaan geloven, opdat ze allemaal ťťn zijn, zoals U in Mij bent en Ik in U" (Joh.17:11,20,24).

Velen houden deze eenheid voor onmogelijk. Ze blijven zien op de vele menselijk-religieuze organisaties en instellingen en hebben geen oog voor de hemelse "stad" van de levende God. Bij Hem zijn alle dingen mogelijk. Hij heeft al lang het gereedschap gegeven om tot eenheid te komen: ware apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, "goede herders" die Gods kinderen stap voor stap verder helpen. Ze geven steeds meer sleutels van het Koninkrijk der hemelen, "totdat ze allemaal de eenheid van het geloof en van de volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben" (Ef.4:13). Dan is "de gezindheid die ook in Christus Jezus was", in allen (Fil.2:5). Dan zijn allen "ťťn van zin en ťťn van gevoelen", "ťťn in liefdebetoon, ťťn van ziel en ťťn in streven" (1Cor.1:10,2:16. Fil.2:2).

Velen zullen de knechten van God die op deze manier bijeenbrengen, niet ontvangen (Joh.1:11, Mat.23:34-35). Ze geven de voorkeur aan anderen, met sensationele activiteiten of met een goed gemeentemanagement. Ze bewandelen liever andere wegen: veel gebed, lang vasten, veel bijbelstudie, kerkelijke activiteit. Dat kan natuurlijk nodig zijn om het hart van een gelovige toe te bereiden, maar in zichzelf leiden deze dingen niet tot eenheid. God geeft bedieningen des Geestes aan dienstknechten naar Zijn hart! Niemand kan zo'n bediening kiezen; God geeft ze. En "zij zullen Mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en niet heilig, en het verschil doen kennen tussen onrein en rein" (Ez.44:23).

Voor oprechte gelovigen is het dan ook een moeilijke tijd. Enerzijds moeten ze de goede herders ontvangen, anderzijds de misleiders, waarvan er "velen zijn uitgegaan in de wereld" van de hand wijzen (2Joh.7). Ze moeten het verschil leren zien tussen echt en namaak, tussen bedieningen des Geestes en "geestelijk" werk op menselijk initiatief en op ziels niveau (vgl.Fil.1:9).

Veel christenen zijn dan ook als de menigten, die Jezus volgden: als schapen die geen herder hebben (Mat.9:36). Jezus vergiste Zich niet toen Hij dat zei. Er waren wel veel schriftgeleerden, veel FarizeeŽn en SadduceeŽn, maar zij waren geen goede herders (Mat.23). Ze brachten "niet bijeen, maar verstrooiden" (Mat.23:13, Luc.11:23, vgl. Fil.2:2).

Goede herders hebben geleerd om onbaatzuchtig te zijn. Ze hebben zuivere motieven, geen enkel bijoogmerk. Ze zoeken niet hun eigen belang en eer (Joh.7:18). Ze verzamelen geen mensen om zich heen, maar wijzen hen net als Johannes de Doper op Jezus (Joh.1:35-37). Ze hebben geleerd, dat God voorziet. Het uitzenden van gebedsbrieven om financiŽle steun is voor hen taboe. Ze zijn bereid hun leven neer te leggen voor de schapen, die naar buiten zijn geleid (Joh.10:3,15). Aan hun vruchten worden ze gekend, aan hun waarachtige "liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing" (Gal.5:22). Het zijn herders die bijeenbrengen bij Jezus, bij Wie "het zal worden ťťn kudde, ťťn herder" (Joh.10:16).


HET FEEST VAN VOLLE VREUGDE

God wilde dat het volk blij was op het loofhuttenfeest: "U zult u verheugen op het feest, u met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen" (Deut.16:14).

Zo lang de IsraŽlieten Hem gehoorzaamden, leefden ze in vrede en voorspoed. Zodra ze ongehoorzaam waren, kwam er een sprinkhanenplaag (zoals ten tijde van JoŽl), of droogte, hongersnood. Voor hen had het loofhuttenfeest dan geen betekenis meer. Er was geen oogst, dus ook geen feest.

Hoewel de gemeente van Christus als geheel dit feest nog niet heeft gevierd, waren er toch wel perioden in haar vroege geschiedenis, waarin ze een voorsmaak heeft ervaren van de vreugde ervan. Maar doorgaans geldt ook nu: "Verwoest is het veld, de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd, de olie weggeslonken. Ja, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht" (JoŽl 1:10-12).

"Wat klinkt dat negatief!", zullen sommigen denken. Maar wees eerlijk: is het niet zo, dat heden ten dage de blijdschap in veel gemeenten de vrucht van de heilige Geest niet kan zijn? Velen "ontsteken eigen vuur" (Jes.50:11). Dat is enthousiasme, een vrucht van de menselijke ziel, van "het vlees". Zo worden veel gelovigen afgeleid van hun erfenis in de geest. Nogmaals: wees eerlijk. Waar wordt "het lied van de Heer" niet vervangen door in Babel gemaakte liederen?

Met "Babel" bedoelen we hetzelfde als wat het voor IsraŽl betekende: gebondenheid in een vreemd land. Toen IsraŽl ongehoorzaam was, verloor het alles, de tempel incluis. Ook de gemeente van Christus ging die weg. Ook zij verloor haar heerlijkheid. Van haar verheven positie als "heilige natie en koninklijk priesterschap" verviel ook zij tot een natie van zondeslaven. Ze werd weggevoerd naar het "land" van hŠŠr ballingschap: naar "het vlees" en "de wereld", zonder ware blijdschap.

De IsraŽlieten kwamen dus in Babel terecht. En daar vroegen de BabyloniŽrs: "Zing voor ons eens een lied van Sion" (Ps.137:3). Maar hoe kun je een lied van de Heer zingen, een tempellied, op vreemde grond?" (Ps.137:4). Die tempel lag in puin. Er kon van blij zingen geen sprake zijn!

Babel is niet de stad van God. Het is de geraffineerde namaak van Zijn hemelse stad. Alles is er nťt echt. Maar haar lot is bezegeld: ze is in wezen al ingestort (Op.18:2). Vandaar Gods oproep: "Ga uit, Mijn volk. Ook jullie hebben van haar wijn gedronken" (Op.18:3). Ontvlucht al het nťt echte. "Sta op en vertrek, want dit is het land van de rust niet" (Micha 2:10). Schud alle aardsgerichtheid af! "Houd niet vast aan het onreine" (2Cor.6:17).

Velen dachten daaraan gehoor te hebben gegeven. Ze verlieten hun kerken, verbraken vele banden, terwijl ze niet volkomen "de binnenzijde van de beker" reinigden (Mat.23:26). Het uittrekken uit Babel is allereerst een geestelijke zaak. Het heeft geen zin om een kerkelijk instituut waarin we zijn teleurgesteld, vol afkeer de rug toe te keren om ons aan een andere te binden.

Als wij uittrekken, moeten we opgaan naar "Sion, de stad van de levende God", naar "het hemelse Jeruzalem". Als we ons willen hergroeperen, moet dat nu daar gebeuren, in geest en waarheid. Dan zal God overvloedig vergeven (Jes.1:2-20). Dan keert ware vreugde terug (Jes.65:18-19). Dan zullen liederen als Psalm 126 weer worden gehoord: "Toen de Heer de gevangenen van Sion deed terugkeren, was het of we droomden. Toen werd onze mond vervuld met lachen, onze tong met gejuich. Toen zei men onder de heidenen: "De Heer heeft grote dingen bij hen gedaan!" Ja, zo is het! De Heer heeft grote dingen bij ons gedaan! Wat zijn we blij! Halleluja!"


HET FEEST VAN DE VOLLE OOGST

Voor de IsraŽlieten was het loofhuttenfeest "het feest aan het eind van het jaar, wanneer alle vruchten van de akker ingezameld zijn" (Ex.23:16).

Het is voor velen niet duidelijk, wat de akker is, die "koren, wijn en olie" zal voortbrengen. "De wijngaard van de Heer is het huis IsraŽls" (Jes.5:1-7). De aarde waarin het zaad gezaaid wordt, zijn zij die in Jezus geloven (Marc.4:1-20). En Paulus zegt: "Gods akker zijn jullie" (1Cor.3:9).

We weten, dat "de Vader de landman is" (Joh.15:1). Als wij Zijn akker zijn, dan zal Hij alles doen om ons tot grote vruchtbaarheid te brengen. Hij zorgt voor Zijn land als geen ander. Hij is verantwoordelijk voor de oogst. Daarom "troost de Heer Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de tuin van de Heer. Blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang" (Jes.51:3).

Zo werkt God. Hij schept licht uit duisternis, leven uit dood, kracht uit zwakheid, vruchtbaarheid uit onvruchtbaarheid. Hij verandert de dorheid en verlatenheid van Sion in een lusthof. "De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis; ze zal welig bloeien en juichen, ja juichen en jubelen" (Jes.35:1-2). En er zal vreugde zijn om de grote opbrengst. "De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen" (JoŽl 2:18-27).

Het is altijd Gods bedoeling geweest, dat de gemeente vruchten zou voortbrengen door een aanhoudende groei in de geest. Tot op heden kwam de Landman naar Zijn hof om te enten, te snoeien en te begieten, zonder iets terug te verwachten. Nu de oogsttijd nadert, zal Hij tot Zijn akker komen met uitsluitend ťťn doel: Hij komt om de vruchten van de Geest in Zijn volk. Hij komt in het volste vertrouwen, dat Zijn tedere zorg edele vruchten zal hebben opgeleverd (vgl. Jes.5:4-5).

Wat men doorgaans voor vruchten aanziet, zijn vaak niet de vruchten die God verlangt. Mensen zien graag vruchten van het werk, van de boodschap, zichtbare resultaten van inspanning (Luc.16:15). God wil goede vruchten, vruchten van de Geest. Maar al te vaak worden produkten van menselijk werk aangezien voor goede vruchten. Ze worden, als KaÔns "vruchten der aarde", door God niet geaccepteerd (Gen.4:3).

Goede vruchten kunnen alleen worden voortgebracht na een bijbelse bekering. Het Griekse woord, dat als bekering is vertaald, is metanoia. Het betekent in eerste instantie een verandering van denken. Het "oude" denken "van beneden" brengt dode, religieuze, traditionele, formele gebruiken voort en sleur, lege en ijdele woorden. "Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen: iedere boom, die geen goede vruchten voortbrengt die aan de metanoia beantwoorden, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen" (Mat.3:8-10). Vandaar dat Jezus zegt tot alle gemeenten: "Ik ken jullie werken" en dat Hij tot vijf van de zeven gemeenten moet zeggen: "Bekeer je" (Op.2 en 3). "Ga nieuw denken". "Bedenk de dingen die boven zijn" (Col.3:2). "Word hervormd door de vernieuwing van denken" (Rom.12:2).

Er staat de gemeente een heerlijk loofhuttenfeest te wachten, want er komt een volle oogst van goede vruchten. "Zie, Ik zal koren, most en olie zenden, zodat u daarmee verzadigd wordt" (JoŽl 2:19). Dat is wat! Verzadigd met "liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing" (Gal.5:22).


HET FEEST VAN VOLMAAKTE RUST

Alle feesttijden van de Heer stonden in verband met de sabbat (Lev.23:3,7,16,23,28). Het waren tijden, dat de IsraŽlieten rustten van het werk en zich verblijdden in de rust van de Heer. Die volmaakte rust gaat Gods volk kennen op het zevende feest in de zevende maand. En zoals de IsraŽlieten rustten aan het eind van de week, op de zevende dag, zo is het loofhuttenfeest het einde van het werken van de Gemeente van Christus.

De eerste dag van het feest was op de vijftiende van de maand. Het werd zeven dagen gehouden (Lev.23:39). De laatste dag was de ťťnentwintigste. Daar 21 het drievoud is van zeven, betekent dit stellig, dat de "volmaakte rust die blijft voor het volk van God" is aangebroken (vgl. Hebr.4:9).

De daaropvolgende dag (de tweeŽntwintigste) was wťťr een sabbat (Lev.23:39). Het was een extra dag bij de zeven feestdagen, een achtste. Het getal acht verwijst in de bijbel naar het "nieuwe leven", het leven in Christus. Ongetwijfeld duidt deze achtste dag op het feit, dat Gods doel met de mens bereikt is: er is een "nieuwe dag" begonnen, een "sabbat", een nieuwe periode van ongekende rust.

In het oude testament vinden we talrijke heenwijzingen naar de rust van God. Enkele voorbeelden: De zevende scheppingsdag is een beeld van de "sabbatsrust, die blijft voor het volk van God" (Gen.2:2-3, Hebr.4:9-10). De naam Noach betekent rust en zijn "duif" vond een rustplaats (Gen.8:8-12). Ook de ark van het verbod vond na grote omzwervingen eindelijk een rustplaats (1Kron.6:31). Bij de inwijding van de tempel tijdens het loofhuttenfeest was Salomo's gebed: "Here God, sta op naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw sterkte" (2Kron.5:3, 6:41).

Wij mogen ook "gaan tot in Gods rust" en een rustplaats vinden (Hebr.4:1,6-7,10-11). Als dit ons verlangen is, vraagt God van ons een nauwgezette wandel in de geest, vol geloof, volharding en geduld. Zonder nauwkeurig te luisteren naar Zijn stem vallen we absoluut in dezelfde fouten als het natuurlijke volk IsraŽl. Daarom zegt Hebr.4:1-2: "Laten we op onze hoede zijn, dat niemand van ons, terwijl nog een belofte van tot Zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. Want ook aan ons is het evangelie verkondigd, net als aan hun, maar het woord van de prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging".

Elke keer weer stelt God Zijn kinderen in staat om Zijn rust binnen te gaan. Velen laten zich uitleiden uit het formele en het traditionele. Ze verlangen meer dan het leven in die woestijn. Ze zien uit naar het land der belofte. En de Heer is goed! Hij geeft "druiven van Eskol, vijgen en granaatappelen" aan ieder die gelooft als een Jozua en een Kaleb. Ze ontdekken, dat het een goed land is, vloeiend van melk en honing.

Maar ook nu weigeren velen te geloven, dat ze daartoe de kracht en de autoriteit hebben. Ook nu vertellen "tien" verspieders het volk, dat "het land" niet kan worden ingenomen (Num.13:3,31). Ze "verspreiden zelfs een kwaad gerucht over het land" (Num.13:32). Ze bekijken alles met menselijke ogen (Num.13:33). Daarom moeten verreweg de meesten terug, de woestijn in, terug naar menselijke systemen en structuren.

Tegelijkertijd heeft de Heer een nieuwe generatie op het oog, die naar de "twee" (Jozua en Kaleb) zullen luisteren, die zeggen: "Laten we gerust optrekken" (Num.13:30). "Wees niet opstandig. De Heer is met ons; vrees niet" (Num.14:6-9).

En omdat IsraŽl destijds niet naar de "twee" wilde luisteren en hen zelfs wilde stenigen, zond de Heer Zijn volk terug de "woestijn" in, "veertig" jaar lang, om verootmoedigd en op de proef gesteld te worden "ten einde te weten wat er in hun hart is" (Num.14:10, Deut.8:2). In die jaren bleef de Heer goed voor hen. Dagelijks gaf Hij manna en zorgde Hij voor water uit de Rots, en nog veel meer.

De vraag is dus: wat gaan wij doen? Blijven we waar we zijn? Of staan we op uit het "stof" van de "woestijn", om onze "Jozua" te volgen, door de "Jordaan" heen naar het "beloofde land"? God roept ons op om in te gaan in Zijn rust. "Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet" (Ps.95:8-11, Hebr.4:7).

Er is veel tegenstand, dat is waar. Maar God belooft: "lk zal u niet verlaten. Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef ik u" (Joz.1:3,5,6,9). Laten we dat geloven! Laten we het land van Zijn rust binnengaan. Want dŠŠr ervaar je het ware loofhuttenfeest met een ongekende innerlijke rust die nooit meer zal worden onderbroken.


HET FEEST VAN VOLLE HEERLIJKHEID

Sommigen menen dat de charismatische beweging van de vorige eeuw de vervulling was van het oudtestamentische loofhuttenfeest. Dit kan niet waar zijn. De Heer gaf de vervulling van het pinksterfeest, het feest van "de derde maand". Hij gaf "het onderpand van onze erfenis" (Ef.1:14). De erfenis zelf wordt verkregen in "de zevende maand".

Wie een onderpand ontvangt en er niets mee doet, ontvangt de erfenis nooit. Wie zijn geestelijke talent in de grond verbergt, verliest alles (Mat.25:14-30). We moeten daarom boven de sfeer van het zichtbare uitstijgen om te komen tot de hogere kennis van het hemelse (Joh.3:12). Enerzijds "zal de heilige Geest ons de weg wijzen tot de volle waarheid (Joh.16:13). Anderzijds moeten we het "onderpand" gebruiken en "Hem geen rust gunnen, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde" (Jes.62:7). De heerlijkheid, die de Vader aan Jezus gaf, moet als het ware geŽrfd worden door de "twaalf" (vgl. Joh.17:22).

We kunnen verwachten, dat met de weeŽn van de heiligen om deze "zoon" voort te brengen, er ook de weeŽn zullen zijn van een stervend priesterschap, dat de "oude" orde wil laten voortbestaan en ook een "zoon" wil voortbrengen. Een beeld daarvan vinden wij in 1 Samuel 1 tot 4, waar het gaat over de geboorten van SamuŽl en Ikabod.

Eerst SamuŽl. Hanna bad God voortdurend en vurig om een zoon. Ze was onvruchtbaar en beloofde, dat als ze die zou krijgen, hij zijn leven lang een NazireeŽr Gods zou zijn. God gaf haar een zoon en ze noemde hem SamuŽl, wat betekent: "Van God gebeden". Deze "van God gebedene" zou het tanende priesterschap van het huis van Eli opvolgen (zie b.v. 1Sam.7:8-12). Vanwege de wetteloosheid van Eli's zonen had God besloten om het priesterschap van hen weg te nemen en om het aan "de zoon van de onvruchtbare" te geven.

En zo gebeurde het. Hofni en Pinehas, die beiden recht hadden op het priesterschap, sneuvelden op dezelfde dag dat de ark in handen van de Filistijnen viel. Hun vader Eli stierf bij het vernemen van de onheilstijding. Toen Pinehas' vrouw dat hoorde, overvielen haar weeŽn en baarde ook zij een zoon. Stervende gaf ze hem de naam Ikabod wat betekent: "Geen heerlijkheid" of "Waar is de heerlijkheid?"

Aardsgezind christendom kan proberen wat het wil, maar het brengt alleen maar "Ikabods" voort zonder heerlijkheid. God heeft anderen aangewezen: "SamuŽls". De gebeden van Gods volk worden verhoord! "Een mannelijke zoon" wordt geboren (Op.12:5). "Ikabods" mogen dan "priesters" zijn naar aardse maatstaven. Maar God stelt anderen aan, naar de "ordening van Melchizedek" (Hebr.6:20).

Dat "nieuwe" priesterschap is onvergankelijk, "krachtens een onvernietigbaar leven" (Hebr.7:16). Alles van het tijdelijke doet hier geen nut. Natuurlijke voordelen, menselijke bekwaamheden en verworvenheden, aardse verschillen in ras, opvoeding of kerkelijk succes, dit alles heeft hier geen waarde. Het heeft geen weet van vader, moeder, geslacht, begin of eind (Hebr.7:3). Het is in geest en waarheid, van Melchizedek, van de "Koning van de gerechtigheid, de Koning van Salem" (=Vredevorst, Hebr.7:2). Dat soort koninklijke priesters brengen gerechtigheid en vrede: hun koningschap "bestaat in gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Geest" (Rom.14:17).

Door de Geest die in Jezus was kan dit priesterschap ook ons deel worden. "Hij is voor ons als voorloper binnengegaan en naar de ordening van Melchizedek eeuwige hogepriester geworden" (Hebr.6:20). Hij is de "nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft" (Hebr.10:20). Voor ons! Niet alleen voor de kerk in het verleden, voor een komende bedeling of voor een speciaal volk, maar voor ieder die Gods Woord hoort en het verstaat. Als u Zijn stem hoort, verhard u dan niet (Hebr.3:15). Aanvaard deze nieuwe orde. Ze is "van boven" (Joh.8:23).

Ieder christen die de stem van de goede herder hoort en Hem volgt, de "stal" uit naar de "groene weiden aan stille wateren", zal op den duur een waar koning en priester worden. Het is namelijk een wordingsproces. Tot het priesterschap behoren is iets anders dan priester zijn (vgl.1Pet.2:9). Van koninklijke bloede zijn of koning zijn is niet hetzelfde. We zijn inderdaad van een koninklijk priesterschap, maar op het loofhuttenfeest wordt geopenbaard "wat we zullen zijn" (1Joh.3:2). Dan zal blijken wie er zijn "gemaakt tot priester om als koning te heersen op aarde" (Op.5:10). Volwassen, koninklijke priesters! Gewassen, in linnen gewaden, gezalfd, geheiligd (Ex.40:12-16). Het zijn ware knechten van God, die "de ark van de Heer dragen, die voor Hem staan om Hem te dienen en die zegenen in Zijn naam!" (Deut.10:8). Dit priesterlijk volk zal Sions puinhopen herstellen. "Hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon. En hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn" (Zach.6:13).

Wat betekent wat God door Zacharia zegt: "tussen hen beiden"? "Beiden" slaat op Jozua, de hogepriester, gekroond met kronen en op "een man wiens naam is Spruit" (Zach.6:11-12). Het heeft betrekking op Jezus (de Griekse vorm van Jozua) en Zijn Lichaam. De Spruit is hij, die zal uitspruiten tot een koninklijk-priesterlijk "lichaam" (vers 12-13). Dat zijn zij, die "in elk opzicht naar Hem toegroeien" (Ef.4:15). Beiden! De Zoon, de hogepriester. En de vele zonen, de priesters. Zacharia bemoedigde niet alleen de herbouwers van de tempel in zijn tijd, maar profeteerde ook over onze dagen (1Pet.1:10-12). Hij kondigde een nieuw priesterschap aan, dat zowel Jezus Christus als Zijn Lichaam behelsde, zowel de Zoon als de zonen. En er zal "heilzaam overleg tussen hen beiden zijn".

Een beeld van de heerlijkheid die dan geopenbaard wordt, vinden we in 1 Koningen 8. Toen Salomo de tempelbouw voltooid had, werd de ark in het heiligdom gebracht en "toen de priesters naar buiten kwamen, vulde een wolk het huis van de Heer, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen: de heerlijkheid van de Heer had de tempel vervuld" (vers 10 en 11). Dit alles vond plaats op het feest in de maand Ethanim (=de zevende, die van het loofhuttenfeest, vers 2). Zo zal God Zijn "huis", dat niet met handen is gemaakt, vervullen met Zijn heerlijkheid op het ťchte loofhuttenfeest.

"Troost daarom Mijn volk. Bereid in de woestijn de weg voor de Heer. Dan zal Zijn heerlijkheid zich openbaren en zal iedereen dit zien" (Jes.40:1,4-5). Want meer dan Salomo is Jezus (Mat.12:42). Grotere heerlijkheid wordt openbaar als Hij verschijnt in Zijn heiligen. De "ark van God" vindt dan zijn "rustplaats". Na een lange "woestijnreis" komt Gods volk eindelijk tot haar bestemming. Niet na een leven van nederlagen om te rusten bij de reeds ontslapen heiligen. Maar door in te gaan in het "land der belofte", stap voor stap, hier en nu.

Broeder, zuster, wees waakzaam. Mijd namaak. Vraag Jezus om onderscheidingsvermogen. Want Gods heerlijkheid wordt niet openbaar zonder dat het aardsgezinde christendom iets dergelijks zal trachten te doen in vleselijke kracht. Alleen een gehoorzame wandel en uiterste toewijding kunnen een discipel behoeden voor dat bedrog. Onderscheid het lichaam. Ontvang de ware dienstknechten van God. Herken de bedieningen die Hij aan de gemeente geeft. Niet aan wonderen, tekenen, publiciteit, organisatievermogen of succes zijn ze te kennen; alleen aan hun vruchten (Mat.7:15-23).

Een beeld van die namaak vinden we in 1 Koningen 12. Door Salomo's ongehoorzaamheid viel het rijk uiteen. Jerobeam kreeg tien stammen en werd koning van IsraŽl. Rehabeam hield Juda en Benjamin. Het grote nadeel voor Jerobeam was, dat Jeruzalem niet in zijn rijk lag en stel je voor dat zijn onderdanen daar naar de tempel zouden gaan voor de feesttijden van de Heer. Zijn positie was in gevaar. "Toen maakte de koning "twee" "gouden" kalveren en zei tot het volk: Het is te veel voor jullie om op te trekken naar Jeruzalem. IsraŽl, dit zijn de goden die jullie uit Egypte hebben geleid" (1Kon.12:28).

Als mensen dorsten naar God en het werk van de Geest herkennen, zal het "vlees" alles proberen om iets te creŽren wat er op lijkt. Als Jezus geneest, dan zal ook een Jerobeam genezen. Komt er een beweging van de heilige Geest, dan zal de antichrist dit perfect imiteren in zijn geest. Alleen zal hij nooit belijden, dat Christus (nu) komende is in het vlees (2Joh.7). Elke manifestatie van de geestelijke wereld zal hij trachten na te doen. En zonder onderscheidingvermogen wordt iedereen misleid.

Geloofde IsraŽl koning Jerobeam? Reken maar! Het volk aanbad de kalveren in "Bethel" (= huis Gods) en "Dan" (=richter). De namaak was zo goed als perfect. Want "ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand (niet voor de zevende dus), voor de vijftiende van die maand, overeenkomstig het feest in Juda" (1Kon.12:32). Dat was zijn loofhuttenfeest. Zonder Gods heerlijkheid dus (1Kon.13:1-10).

Dit zijn treurige waarheden, die helaas ook van toepassing zijn op onze dagen. Ook nu willen "Jerobeams", die niet "in Jeruzalem wonen", verhinderen dat discipelen van Jezus "opgaan" om het loofhuttenfeest te vieren in de hemelse stad, waarvan God de bouwmeester is. Hķn doel is de eenheid te bewaren in hķn belangensfeer. "En dit werd een oorzaak tot zonde" (1Kon.12:30). Daarom komt Gods oordeel onherroepelijk over alle nep en showbusiness. "Ze hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om. Van hun zilver en goud hebben ze zich afgodsbeelden gemaakt. Mijn toorn is tegen hen ontbrand. Voorwaar, tot splinters zal dat kalf van Samaria worden" (Hos.8:4-6).

Ziet u, hoe subtiel satan werkt en hoe gemakkelijk hij Gods volk kan verlagen tot het verheerlijken van "het maaksel van een werkman?" (Hos.8:6). Zelfs het werk voor de Heer kan zo allesbetekenend worden, dat het een voorwerp van afgoderij wordt. Dan is het een onzuiver bestanddeel dat moet worden verwijderd door een corrigerend vuur (Jes.1:22,25).

"Want Hij komt, zegt de Heer. En Hij zal zijn als het vuur van de smelter. Hij zal het zilver smelten en reinigen. Hij zal de zonen van Levi reinigen en hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen" (Mal.3:1-3). "Hij komt tot Zijn tempel" (Mal.3:1). En zijn wij niet Zijn tempel? (2Cor.6:16). Hij komt in volle heerlijkheid! Als het Hoofd! En als Zijn Lichaam, dat zijn zij "die met Hem zijn, die ťn geroepen, ťn uitverkoren, ťn trouw zijn" (Op.17:14, letterlijk vertaald).


HET FEEST VAN VOLLEDIG HERSTEL

Nu doen we enkele grepen uit de boeken Ezra, Nehemia, HaggaÔ en Zacharia. Die waren alle vier nauw betrokken bij het herstel van de tempel en van Jeruzalem.

Toen Gods Geest Kores (=herder) ingaf, de ballingen na zeventig jaar te laten terugkeren naar Jeruzalem, nam lang niet iedereen de kans waar (Ezra 1). Het merendeel wilde in Babel blijven: ze waren er opgegroeid en wisten weinig van de heerlijkheid die eens op de tempel in Jeruzalem rustte. Ze hadden het goed in Babel en wilden niets te maken hebben met het waagstuk, waaraan een paar fanatici waren begonnen. Stel je voor: een groep arme ballingen, dat naar een land wilde, dat ze nog nooit hadden gezien en waarvan de hoofdstad helemaal in puin lag. Om de glorieuze tempel van Salomo te herbouwen? Dat kan toch niet! Uiteindelijk vonden maar 50.000 man het de moeite waard om op weg te gaan naar Jeruzalem (Ezra 2:64-65).

Ondanks dat de tempel tot en met haar fundamenten verwoest lag, was deze minderheid vastbesloten om de tempeldienst te herstellen volgens het oorspronkelijke patroon (Ezra 3:4,6). Toen dan ook "de zevende maand aanbrak, verzamelde men zich als ťťn man in Jeruzalem" om het loofhuttenfeest te vieren(Ezra 3:1).

In onze dagen is of wordt ieder kind van God voor dezelfde keus geplaatst. En net als toen willen velen liever in "Babel" blijven. Slechts een minderheid gaat op naar het hemelse Jeruzalem om zich daar te "verzamelen als ťťn man". Ze hebben "gezien" dat Babel de blijvende stad van God niet is. Dat is het nieuwe Jeruzalem dat aan het neerdalen is uit de hemel van God. En om dat te zien moet men geestelijk wakker worden en het volgende doen: "Ontwaak, ontwaak Sion, en bekleed je met kracht! Klop het stof van je af en sta op. De ketenen om je hals zijn los! Je wachters (=profeten) verheffen hun stem en zien met eigen ogen, dat de Heer terugkeert naar Sion. Weg! Ga weg! Ga daar weg! Raak niets aan dat onrein is! Breek uit in gejubel, ruÔnes van Jeruzalem, want de Heer troost Zijn volk: Hij koopt Jeruzalem vrij!" (Jes.52:1-12).

Meteen begon men aan de herstelwerkzaamheden. Er werd eerst een altaar gebouwd (Ezra 3:1-7). Een jaar later was het fundament van de tempel klaar (Ezra 3:8-13). Wat was men blij, dat het werk zo voorspoedig verliep (Ezra 3:10-11).

Dergelijke herstelwerkzaamheden hebben ook nu plaatsgevonden. Bij velen is het fundament van HebreeŽn 6:1-2 min of meer hersteld. Er zijn er, die zich bekeerden van dode werken van formalisme. Velen lieten zich dopen met water en met de heilige Geest. Enkele anderen maakten het fundament volledig door de laatste pijlers te leggen: de leer van handoplegging, van opstanding vanuit de doden (in het heden) en van een eeuwig oordeel (nu in ons beginnend). Dit bracht grote vreugde, want het ging zo goed. We verwachtten dat er steeds meer "gezien" zou worden van het "nieuwe" Jeruzalem door steeds meer mensen" (Op.21:9-22:5).

Maar toen het werk vorderde, "kwamen de tegenstanders van Juda en Benjamin tot Zerubbabel en zeiden: Laat ons met jullie mee bouwen, want wij zoeken jullie God evengoed als jullie" (Ezra 4:2). Zerubbabel weigerde hun hulp: ze hoorden niet tot het volk van God (2Kon.17:24). Uit lijfsbehoud waren ze de Heer gaan vereren, naast hun afgoden (2Kon.17:25-34). In feite "vereerden ze de Heer niet", maar "bleven ze doen naar hun vroegere gewoonten" (2Kon.17:34,40). Daar kun je toch niet mee samenwerken! Al spoedig bleek hun ware aard: "Ze ontmoedigden het volk van Juda en schrikten hen af van het bouwen" (Ezra 4:4). Ook stuurden ze brieven naar de koning van PerziŽ, met daarin o.a. dit: "Als deze stad herbouwd is, betaalt men vast geen belasting meer aan de koning" (Ezra 4:13). Ze slaagden erin het werk lam te leggen.

Zeventien jaar later pas kon de tempelbouw worden hervat. Dat kwam vooral door toedoen van de profeten (Ezra 5:1-2). Gods volk was, net als velen nu, van mening, dat "de tijd nog niet gekomen was om het huis van de Heer te herbouwen" (Hag.1:2). Het antwoord van de profeet was: "Is het voor u de tijd om in weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl de tempel verwoest ligt?" (Hag.1:4).

O, die weldoortimmerde "huizen"! Er zijn er talloze: kerken, kapellen, goed georganiseerde gemeenten, enthousiaste samenkomsten, enz. enz. enz. Wat een tijd wordt er besteed om dat alles in stand te houden! Maar wie geeft zijn tijd voor Gods uit levende stenen bestaande Huis? (1Petr.2:5). Wie wordt verteerd door de ijver voor het eeuwige, hemelse "huis van God"? (Ps.69:10). "Daarom, zo zegt de Heer, bedenk toch wat u is overkomen" (Hag.1:5). Ja, ieder moet zich eens goed realiseren, hoe het met hem of haar is gesteld. "Jullie hebben veel gezaaid, maar weinig binnengehaald, jullie hebben gegeten, maar zonder verzadigd te worden ....." (Hag.1:6).

Ja, we hebben van alles en nog wat georganiseerd: grote samenkomsten en weekenden, massale campagnes, vreugde-, gebeds- en familiedagen. Hoe veel bleven er na enige beproeving over na een campagne? Hoe velen bleven er samen bidden na een Nationale Gebedsdag? We "hadden op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit. Toen jullie de oogst binnengehaald hadden, blies Ik erin. Waarom? Om Mijn Huis dat verwoest ligt, terwijl jullie allemaal maar blijven draven voor je eigen huis" (Hag.1:9). Eigen kerken, groepen of bewegingen kregen voorrang op "het Huis" in geest en waarheid. Bijna iedereen probeerde zijn eigen club op te bouwen met de nieuwe bekeerlingen die gezamenlijke campagnes hadden opgeleverd. We lieten het hemelse huis voor wat het was. We meenden, dat het de tijd nog niet was om op te gaan naar het hemelse Jeruzalem. Vandaar dat God op ons werk blies met het vuur der beproeving. En daarom is er tot op dag van heden droogte en gebrek aan geestelijke kracht. Daarom is er zo weinig eenheid in de geest, zo weinig gemeenschap der heiligen. Daarom is de late regen niet gekomen, ja, is er zelfs geen dauw en is er geen "koren, most en olie" (Hag.1:10-11).

Zerubbabel (=in Babel gezaaid), Jozua, de hogepriester en het volk gehoorzaamden HaggaÔ's oproep wel. Ze "kwamen bijeen en begonnen het werk aan het huis van de Heer" (Hag.1:14). Langzamerhand verrees er een nieuwe tempel uit het puin van de eerste. Maar hoe kon dit zwakke groepje getrouwen een tempel bouwen die gelijk was aan die van Salomo? De heerlijkheid van die tempel was niet te overtreffen, vooral niet onder de gegeven omstandigheden.

Toen kwam wťťr het woord van de Heer tot HaggaÔ (=feest van de Heer). Dat was op het hoogtepunt van het loofhuttenfeest, op de laatste dag ervan (Hag.2:2, vgl. Joh.7:37). Hij zei: "Wie onder u is overgebleven, die dit huis in zijn vroegere heerlijkheid gezien heeft? Is het niet daarbij vergeleken als niets in uw ogen? Maar nu, wees sterk Zerubbabel, wees sterk Jozua, en wees sterk volk van het land. Ga aan het werk, want Ik ben met julle. Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heer. En de toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige!" (uit Hag.2:4-10).

Wat een beloften! Beloften die niet vervuld zijn in de tempel van Zerubbabel of in die van Herodes. God sprak niet van een aards huis. Hij sprak van een hemelse tempel, waarvan wij levende stenen kunnen zijn. Het gaat God om de heerlijkheid van dŠt huis. Gods bedoeling is een eeuwige, onzichtbare tempel, waarin Hij Zijn heerlijkheid kan openbaren op het ware loofhuttenfeest. Dat is het heil dat Hij ons wil geven (Hag.2:10). Dan zullen stromen van levend water uit ons binnenste vloeien (Joh.7:38). Dan zal de heerlijkheid van de Heer zich in mensen openbaren (Rom.8:19).

Ook Zacharia profeteerde woorden van bemoediging voor de tempelbewoners: "De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien" (Zach.4:9). Zacharia diende echter niet alleen zijn tijd, maar profeteerde van de voor ons bestemde genade (1Pet.1:10). Toen hem dan ook de hemel geopend werd, zag hij de "volheid van Christus" in de vorm van "twee" olijfbomen (Zach.4:1-3). En "dit is het woord van de Heer: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest. Wie ben jij, jij grote berg? (=Babel). Je zult een vlakte worden!" (Zach.4:6-7).

Zacharia begreep niet wat hij zag (Zach.4:11-12). De engel gaf hem een nadere verklaring: "Dat zijn de twee gezalfden (letterlijk: de "twee zonen van olie"), die voor de Heer staan" (Zach.4:14). Het zijn de "twee" gezalfde zonen, die tot volle heerlijkheid worden gebracht (Hebr.2:10), de "twee" getuigen (Op.11:4). De Geest zal door hen zů kunnen werken, dat de hele schepping zal worden bevrijd van de slavernij van Babel (Rom.8:18-21). Die "berg" wordt een "vlakte"! Niet door menselijke inspanningen, maar door Mijn Geest, spreekt de Heer.

Ondanks de vele beloften van God (zie alleen al Zacharia 8) ging het volk na het herstel van de tempel al spoedig de verkeerde kant op. Jeruzalem bleef een kwetsbare stad, omdat haar muur niet geheel hersteld werd. De tempeldienst werd ernstig veronachtzaamd (lees Maleachi). De wet werd niet nauwgezet onderhouden. Talloze mannen namen zich heidense vrouwen (Ezra 9 en 10). Kortom: er brak een tijd aan van grote geestelijke nood, ondanks de grote zegeningen tijdens de reis uit Babel en tijdens de tempelbouw.

Ook in onze dagen is er gewerkt om het "altaar" weer op te richten. Er werden geestelijke "fundamenten" hersteld. Velen staakten hun werk met hout, hooi of stro, met hun vleselijke bekwaamheden en natuurlijke middelen, die de vuurproef niet kunnen doorstaan (1Cor.3:12-15). Ze lieten zich als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis voor God (1Pet.2:5). Maar ook nu is er grote nood. Er is verwarring. Er zijn partijschappen. De dienst in de hemelse tempel is veronachtzaamd. En wie heeft Gods wet in zijn binnenste? In wiens hart kan de Heer Zijn wil schrijven? (vgl. Jer.31:33). Maar God houdt ons vast. Hij laat ons niet omkomen. Hij stuurt knechten om orde op zaken te stellen. Vandaar dat Ezra (=hulp) een tweede tocht naar Jeruzalem ondernam, vele jaren na de tempelbouw (Ezra 7-10). Hij vertrok vanaf de rivier Ahava (=stromend water). Ook Nehemia (=trooster) ging in diezelfde tijd naar Jeruzalem met het doel de stadsmuur te herstellen. Ezra was bij aankomst verbijsterd over de geestelijke toestand van het volk (Ezra 9:3). Nehemia vond enorme puinhopen, waaraan lang niets was gedaan (Neh.2). Beiden deden belijdenis van wat men had nagelaten (Ezra 9:6-15, Neh.1:5-11). En Ezra confronteerde het volk met de wet van God (Ezra 10:1-14). Gelukkig werd besloten aan Gods eisen te voldoen. Tevens werd de muur hersteld, zij het onder grote tegenstand (Neh.4 en 6).

Toen brak de zevende maand aan. We lezen, dat toen iedereen die "de wet kon begrijpen, als ťťn man bijeen kwam voor de Waterpoort" (Neh.8:1-3). Ezra las de wet voor (Neh.8:4). Anderen "gaven uitleg, zodat men het voorgelezene begreep" (Neh.8:9). Dit deed de harten ineenkrimpen: hoe ontstellend was Gods wet veronachtzaamd! De leiders echter zeiden tot het volk: "Deze dag is voor de Heer heilig: bedrijf geen rouw en ween niet. Ga heen, eet lekkernijen en drink zoete dranken en geef aan wie niets heeft een deel, want deze dag is voor onze Heer heilig. Wees dus niet verdrietig, want de vreugde in de Heer, die is uw kracht" (Neh.8:10-11). Toen ging het volk heen en deed wat hun gezegd was: "ze hadden begrepen, wat men hun had bekendgemaakt" (Neh.8:13).

Is dit niet een heerlijke boodschap voor vandaag? Als wij echt beseffen, hoe we gefaald hebben, huilen we van ellende. Maar God wil niet, dat we in zak en as blijven zitten, zoals in Babel. Hij zegt: "Dorstigen, kom tot de wateren" (Jes.55:1). Verzamel u als ťťn man bij de Waterpoort! Jezus zegt: "Wie dorst heeft, laat hij bij Mij komen drinken" (Joh.7:37). Hij zei ook: "Ik ben het levende brood" (Joh.6:51). We moeten heel bewust van Hem gaan eten en drinken. Dat is waarachtig pascha vieren. DŠn kan ook in ons het ware loofhuttenfeest aanbreken (vgl. Neh.8:14-15,18).

Toen Ezra in de wet las, dat ook dit feest moest worden gevierd, werd meteen het volgende bevel uitgevaardigd: "Ga naar het gebergte en haal het loof van de olijfboom, van de olijfwilg, van de mirt, van palmen en van loofbomen, om loofhutten te maken, zoals geschreven staat" (Neh.8:16). "En het hele volk maakte loofhutten en woonde erin" (Neh.8:18). Wat een schouwspel! Overal duizenden en nog eens duizenden hutten van takken: op de daken van de huizen, op de straten van Jeruzalem, op het tempelplein, zeven dagen lang.

Die looftakken hebben allemaal hun symbolische betekenis. Ze spreken van voorspoed, vreugde, overvloed en geluk. Er komt een "dag van zeer grote vreugde" voor ieder, die uit zijn "huis" gaat om die feesttijd van de Heer te vieren (Neh.8:18). Dan zal "de kracht van Christus een tabernakel, een loofhut, over hen spreiden" (2Cor.12:9, letterlijk vertaald). Ervaart u er al iets van?


HET FEEST VAN ZIJN VERSCHIJNING

Toen "het feest der Joden, loofhutten, nabij was", presten de broers van Jezus, dat Hij naar het feest in Jeruzalem zou gaan (Joh.7:2-4). Hij bleef echter waar Hij was (vers 6-9). Later, "toen Zijn broers al naar het feest waren gegaan, ging Hij Zelf ook, niet openlijk, maar verborgen" (vers 10). Al deze gebeurtenissen zijn door Johannes vermeld, omdat ze een beeld zijn van de komst van Christus. Want ook nu is Hij in het verborgene opgetrokken naar het hemelse Jeruzalem, om daar te verschijnen op het ware loofhuttenfeest.

Veel gelovigen zien de komst van Jezus alleen als een historisch gegeven. Ze denken aan Hem zoals Hij was, toen. Maar "de opstanding en het leven" is mťťr! Hij is nu Geest en verschijnt nu als zodanig in onze harten. Hij was dus niet alleen de opstanding en het leven. Hij is ook onze opstanding en ons leven. Velen denken nog als Martha en Maria in Johannes 11. Ze wisten best, dat Lazarus zou opstaan ten jongsten dage (vers 24). Ze wisten ook, dat God aan Jezus alles gaf wat Hij begeerde (vers 22). Beiden geloofden, dat Jezus de Christus was (vers 27). Maar ze hadden geen geloof voor het heden (vers 32). Steeds trachtte Jezus hun duidelijk te maken, dat Hij de "Ik ben de opstanding" is, de "Ik ben". Een latere opstanding? Jezus de Messias? Natuurlijk geloofden ze dat! Maar dit geloof alleen is ontoereikend om iemand in het heden naar opstandingsleven te leiden. Daarom antwoordde Jezus: "Ik ben de opstanding en het leven" (vers 25). Tegenwoordige tijd! En: "Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven" (vers 25). En dan vervolgt Hij met: "Een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven: geloven jullie dat?" (vers 26).

Wat betreft de komst van Christus is er dus veel misverstand. Maar na lezing van de bijbel onder de tucht van de heilige Geest is het duidelijk, dat de komst van de Heer niet alleen het weerkomen is van Jezus persoonlijk, maar ook een "komen" in de Zijnen. Eťn van de zes Griekse woorden, die door "komst" zijn vertaald, is "parousia". Het wordt gebruikt voor het nu in het verborgene komen van de Heer Jezus Christus in de Zijnen. Het woord parousia betekent eigenlijk niet komst, maar aanwezigheid, het gekomen zijn, nu.

In 2Petr.1:16-17 spreekt Petrus over de parousia van Christus, op een berg. Jezus was al meer dan dertig jaar daarvoor gekomen, in Bethlehem. Lange tijd was Hij met Zijn leerlingen samen geweest. Toen nam Hij drie van hen met Zich mee, de stilte in, een berg op. En daar zagen ze wie Jezus eigenlijk was. De verborgen aanwezigheid (parousia) van de Zoon van God werd zichtbaar voor hun ogen. Ze zagen hoe Hij veranderde. De "in doeken gewikkelde" (=de "in het vlees verborgene") werd openbaar! "Zijn gelaat straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht" (Mat.17:2). Wat een komst! Ongelooflijk! Petrus zegt daarom: "We zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen we jullie de kracht en de komst (parousia) van onze Heer hebben verkondigd. We zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit, van de eer en heerlijkheid die Hij van de Vader heeft ontvangen". Ziet u, hoe Petrus "de kracht en de aanwezigheid van Christus" gelijk stelt met "de eer en de heerlijkheid van de Vader". DŠt werd openbaar! Ze hadden de Koning van het Koninkrijk der hemelen in Zijn schoonheid aanschouwd (vgl. Jes.33:17).

We weten van Stefanus, dat men ook in hem de parousia van de Heer ging zien (Hand.7:55-56). En die zal gezien worden in de zonen Gods, in de "twee" getuigen, in de "Mozes en Elia" (Op.11:3-6). In hen zal de parousia van Christus' heerlijkheid zo volkomen zijn, dat ook zij de dood niet zullen smaken, voordat zij in zichzelf "de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid" (Mat.16:28). Het zijn de "twee olijfbomen", de "twee zonen van olie" (Zach.4:14). Ze leven, wandelen, denken, spreken en werken als hun Heer. Als Hij verschijnt, zullen ze met Hem verschijnen in heerlijkheid (Col.3:4).

Aan het begin van Jezus' bediening getuigde de Vader: "Dit is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb" (Mat.3:17). Later, op de berg der verheerlijking, toen een lichtende wolk Jezus, Mozes en Elia overschaduwde, was er dezelfde stem: "Dit is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem" (Mat.17:5). Het eerste getuigenis betrof Jezus persoonlijk (Joh.5:37). In MatthťŁs 17 verschenen ook Mozes en Elia: daar betreft het Jezus ťn de "twee getuigen" (Op.11:3:4-6), de Zoon en de zonen, het Hoofd en het lichaam.

Het gebeuren op de berg der verheerlijking was dus een aankondiging van de heerlijkheid, die zou aanbreken op het ware loofhuttenfeest. Want "wanneer Christus verschijnt die ons leven is, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid" (Col.3:4). Zoals Mozes en Elia de heerlijkheid van Christus uitstraalden, zo hebben dan de "twee getuigen" deel aan Zijn volle heerlijkheid. Jezus wil, dat we "veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de Heer die Geest is" (2Cor.3:18, Col.3:10). Want we kunnen nu "veranderd worden door de vernieuwing van ons denken" (Rom.12:2). En als "dit (deze verandering naar Zijn beeld, dus niet wat de NBG vertaling zegt: Hij) zal geopenbaard zijn, zullen we Hem gelijk wezen; want we zullen Hem zien, zoals Hij is. En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is" (1Joh.3:2-3).

Jezus ging dus niet openlijk, maar in het verborgen naar het loofhuttenfeest (Joh.7:10). Hij komt ook op het ware loofhuttenfeest eerst verborgen. Zijn parousia is Zijn verborgen komst en aanwezigheid in de Zijnen. "Christus in ons, de hoop der heerlijkheid" is een heerlijk, rijk geheimenis, zegt Paulus (Col.1:27). Hij is steeds komende. Steeds tracht de heilige Geest dat komende (niet: de toekomst) aan te kondigen (Joh.16:12-15). En dan, na de apokalupsis (=ontsluiering) van Zijn parousia (=aanwezigheid), zal Hij verschijnen (epiphaneia) en komen (erchomai) met de wolken, persoonlijk, en in hen die in Hem hebben geloofd zoals de Schrift zegt. Wat een geheimenis!

Paulus zegt, dat het God behaagde hem dit geheimenis bekend te maken. De Zoon deelt het mee aan al Zijn intieme vrienden. Hij zegt: "Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand weet wie de Zoon is, dan de Vader en wie de Vader is, dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren" (Luc.10:22). En ook: "Ik kom tot jullie" en "jullie zullen Mij zien" (Joh.14:15-20). Zo verschijnt de Heer in eerste instantie in de levens van de Zijnen. "Nog een korte tijd en de wereld kan Mij niet meer zien, maar jullie zullen Mij wel zien" (Joh.14:19). "Dan zullen jullie weten, dat Ik in Mijn Vader ben en jullie in Mij en Ik in jullie" (vers 20). "Wij zullen tot je komen en bij je komen wonen" (vers 23). In het verborgene.

Dan, wanneer de volheid van Christus bereikt is, zal Zijn verborgen heerlijkheid worden ontsluierd. Dan verschijnt de Christus. Niet alleen Jezus Christus, het Hoofd, maar ook Christus, het lichaam. DŠt is onze "zalige hoop: de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus" (Titus 2:13).

De grote dag van het loofhuttenfeest was de laatste (Joh.7:37). Het is bekend, dat op die dag de hogepriester naar het badwater Siloam ging met een gouden kan. Die vulde hij met water en onder veel vreugdebetoon droeg hij die terug naar de tempel. Daarna werd onder grote belangstelling het water uitgegoten op de droge grond naast het altaar.

Natuurlijk dachten de toeschouwers tijdens deze ceremonie aan profetieŽn als: "Met vreugde zult u water scheppen uit de bronnen des heils" (Jes.12:3). En "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge" (Jes.35:6-7, 43:19-20, 44:3). Slechts ťťn van de toeschouwers wist de ware betekenis van wat er gebeurde. Hij wist van de komende geestelijke realiteiten, waarvan deze ceremonie slechts een beeld was. Dat was Jezus. Hij wist, dat Hij de eeuwige hogepriester was en dat Hij levend water kon uitgieten op elke dorstige ziel. Tijdens de ceremonie keek iedereen in grote stilte naar wat de aardse hogepriester deed. Toen wist Jezus dat de tijd gekomen was om de betekenis ervan bekend te maken.

"Hij stond op en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij Mij komen drinken! Dan zullen er, als hij in Mij gelooft, stromen van levend water uit zijn binnenste vloeien" (Joh.7:37-38). Letterlijk staat er: "Wie in Mij gelovende is". Wie bij voortduring in Hem gelooft gelijk de Schrift zegt, zal niet alleen levend water indrinken, maar op den duur zullen stromen van levend water uit hem stromen. Hij wordt dan een bron. Dat is een loofhuttenfeestervaring! "Wie gedronken heeft van het water dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Joh.4:14).

Broeder of zuster, maak ernst met de feesttijden van de Heer. Daarmee bedoel ik niet, dat u de Joods-wettische manier in ere moet herstellen. Het gaat om geestelijke beleving. Ga het land binnen dat vloeit van melk en honing. "Hef uw hoofden omhoog" (Ps.24). "Bereid in de (=uw) woestijn de weg van de Heer, effen in de (=uw) wildernis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht. Want de heerlijkheid van de Heer zal zich openbaren en alles wat leeft zal het zien, want de mond van de Heer heeft het gesproken" (Jes.40:3-5).

Herstel in uzelf alle feesttijden van de Heer. "Want de winter is voorbij, de regen is over, verdwenen. De bloemen vertonen zich op het veld. De zangtijd is aangebroken en het gekir van de tortel wordt gehoord in ons land. De vijgenboom laat zijn vroege vrucht zwellen en de wijnstokken in bloei geven geur. Sta op, kom, mijn liefste, mijn schone, kom!" (Hoogl.2:11-13). De oogsttijd is nabij (Joh.4:35). Het loofhuttenfeest kan spoedig worden gevierd (JoŽl 2:19). Maar dan in geest en waarheid.

Home page



0