Home page



De aard
van het Koninkrijk Gods



"En op de vraag van de FarizeeŽn,
wanneer het Koninkrijk Gods komen zou,
antwoordde Hij:

Het Koninkrijk Gods komt niet zo, dat het te berekenen is.

Ook kan men niet zeggen: het is hier of het is daar!
Het is in u."

(Luc.17:20-21)


WANNEER KOMT HET KONINKRIJK GODS?

De FarizeeŽn gingen eens naar Jezus toe, om Hem te vragen, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou (Luc.17:20a). Volgens hen zou de komst ervan gepaard gaan met grote tekenen en goddelijk machtsvertoon. Alle vijanden zouden worden overweldigd en God zou door IsraŽl een machtig werk doen in de wereld. Zij verwachtten spectaculaire, dramatische gebeurtenissen, die voor vriend en vijand zichtbaar zouden zijn. Maar wanneer zou dat gebeuren?

Jezus kende hun gedachten en opvattingen (Joh.2:24-25, Mat.9:4, 12:25). Het waren gedachten van beneden (Joh.8:23). Het was een wijsheid die Jacobus aanduidt als aards, ongeestelijk, zelfs duivels (Jac.3:15, Joh.8:43-44). Zij waren het volk van God en ze claimden op grond daarvan het volk van Zijn Koninkrijk te zijn. Maar dat het ware rijk van God het Koninkrijk der hemelen was, daar hadden ze geen notie van (vgl.Mat.23:3).

Door die aardse wijsheid hadden ze zelfs de sleutel van de kennis van het Koninkrijk der hemelen weggenomen en wie trachtte binnen te gaan, hielden ze nog tegen ook (Mat.23:13, Luc.11:52). Het ging hun niet om het Koninkrijk der hemelen, maar om de zienlijke wereld, waar ze met hun godsdienstigheid probeerden zo veel mogelijk "in het oog te lopen bij de mensen" (Mat.23:5).

Destijds verzuchtte God al door de profeet Jesaja, dat Zijn eigen kinderen geen inzicht hadden (Jes.1:3). Hun gedachten waren zů aards, zů laag (Jes.55:8-9). En ook Jezus zei tot de aardsgerichte schriftgeleerden: "Jullie zijn van beneden, Ik ben van boven. Jullie zijn van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld" (Joh.8:23). En met hun vraag, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, gaven ze opnieuw blijk van hun ongeestelijke wijze van denken. Jezus beantwoordde de vraag dan ook helemaal niet.

Ook de (nog niet met de heilige Geest gedoopte) discipelen van Jezus zouden met dezelfde vraag komen. Nadat Hij na Zijn lijden veertig dagen lang was verschenen en met hen had gesproken over het Koninkrijk van God, vroegen ze: "Heer, herstelt u in deze tijd dat koningschap en doet u dat voor IsraŽl?". Ook zij dachten nog in aardse termen. Ze kregen alleen als antwoord: "Het is niet jullie zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft" (Hand.1:3, 6-7).

Sindsdien zijn er altijd wel mensen geweest, die vanuit de bijbel probeerden uit te rekenen, wanneer het Koninkrijk Gods zou komen. Men is nu eenmaal altijd nieuwsgierig naar de toekomst. Ze zijn er ook nu. Net als de FarizeeŽn vragen ze de Heer niet, wat het Koninkrijk Gods is, of hoe het komt, hoe men zich erop voorbereidt. Het gaat hun om het wanneer in de toekomst.

Zo zijn er ingewikkelde tijdsberekeningen gemaakt om te bepalen, wanneer het Koninkrijk Gods zou komen. Men heeft tal van scenario's bedacht over de wijze, waarop Christus zou verschijnen. Er werden zelfs romans uitgegeven, die op spectaculaire (aardse) wijze de opname van de gemeente en tal van apocalyptische gebeurtenissen beschrijven. Wankelmoedige zielen werden daardoor nog onzekerder dan ze al waren. Sommigen verloren zelfs hun bezinning, zegden hun baan op en verkochten have en goed (vgl. 2Thes.2:2). Maar wat eens gold voor de aardsgerichte FarizeeŽn en voor Jezus' nog ongeestelijke discipelen in Handelingen 1, geldt ook voor nu. De Vader houdt over tijden en aardse ontwikkelingen de beschikking aan Zich. Hij geeft nooit antwoord op de vraag, wanneer in de toekomst het Koninkrijk Gods komt.

Hoewel Jezus niet inging op de vraag van de FarizeeŽn, gaf Hij wťl aan, dat het Koninkrijk Gods niet komt zoals zij, aardsgerichte denkers, zich dat voorstelden: "Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk vertoon, het is niet te berekenen, het is niet hier en het is niet daar" (Luc.17:20-21). "De basileia, het koningschap, van God komt niet met parateresis (=oogwaarneming, van: paratereo=zorgvuldig observeren). Waar moet je het dan wel zoeken? Jezus zegt dan: "In u" (Grieks: entos=binnenin).

Het hemelse koningschap komt in de mens op Gods wijze. God is geest (Joh.4:24a). Hij is waarachtig (Joh.3:33). Zijn rijk komt dan ook in geest en waarheid. Zijn koningschap is niet van deze wereld, niet aards, niet tijdgebonden (Joh.18:36). Het was, en is, en komt in harten van mensen in het eeuwige nu.



NIET MET OOGWAARNEMING

Jezus wist uit ervaring, dat het Koninkrijk Gods komt als innerlijke groei "in wijsheid, grootte en genade bij God" (Luc.2:52). Het komt als vrede op aarde in mensen des welbehagens (Rom.14:17, Luc.2:14). Het is immers te vergelijken met een mosterdzaadje, dat iemand nam, in zijn akker zaaide en het liet volgroeien totdat het een boom werd (Mat.13:31-32). Zo werd Jezus Boom des Levens (Joh.1:14,17). Niet, dat iedereen dat zag, want velen kenden Hem alleen als zoon van Jozef, de timmerman uit Nazareth (Joh.6:42).

Dat Jezus vol is van genade en waarheid en dat Hij leven en overvloed geeft, kan alleen gezien worden als Gods Geest onze ogen opent (Mat.13:15-16). Dat zijn natuurlijk niet de ogen in ons hoofd, maar "de ogen van ons hart, zodat we weten, welke hoop Zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is van Zijn erfenis in de heiligen" (Ef.1:18).

Niet door oogwaarneming, niet door zorgvuldige observatie. Hoe bestaat het toch, dat de meeste christenen dat nu juist wel doen. Ze zijn zů bezig met de tekenen der tijden zelf, met oorlogen en geruchten ervan, geweld en wereldpolitiek, met ontwikkelingen rond de Joodse staat IsraŽl, met rampen, epidemieŽn, hongersnoden en aardbevingen, dat ze volkomen missen wat er in de geestelijke wereld gebeurt. Aardse gebeurtenissen zijn alleen maar tekenen, die verwijzen naar hogere, geestelijke ontwikkelingen. Jezus zegt toch: "Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt" (Luc.21:28). Zodra je ze ziet beginnen, wend je ogen dan af en zie omhoog!

We moeten dus niet aardsgericht blijven zien op de tekenen der tijden, ze beschrijven en uitpluizen in preken, artikelen, tijdschriften en boeken, maar betekenis en inhoud ervan leren herkennen. Hoe dat kan? Daar hoeft geen twijfel over te bestaan: alleen door de Geest der waarheid.

Die Geest "kan de wereld niet ontvangen, want ze ziet Hem niet en kent Hem niet; maar jullie kennen Hem wel, want Hij blijft bij jullie en zal in julle zijn", zegt Jezus (Joh.14:17). En "wanneer Hij komt, zal Hij van Mij getuigen" (Joh.15:26). En Hij zal "de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst (erchomai) zal Hij jullie verkondigen (anangello, Joh.16:13).

De toekomst? De Geest der waarheid verkondigt ons helemaal niet de toekomst! Erchomai is het komen van een persoon. De Geest der waarheid getuigt van Jezus en maakt ons in ons diepste wezen Zijn komst bekend (Joh.14:17,16:13). We zingen in een lied: "Kom Gij in mij wonen, zij mijn hart en leven, u ten heiligdom gegeven". De Geest der Waarheid zal ons de komst van Christus in ons aankondigen (anangello=bekendmaken, Joh.16:13). Dat is immers onze hoop: Christus in ons (Col.1:27). Hij komt in ons wonen!

Meent u de tekenen der tijden te herkennen? Weet, dat het dan voor u de tijd is om u te richten op God en Zijn koningschap! "Hef uw hoofd omhoog, opdat de Koning der ere binnen kan komen. Wie dat is? Het is de Heer van de hemelse legermachten!" (Ps.24:9-10). Wie zich opricht en hemels leert denken, ziet Hem dan in zich komen in Zijn basileia (koningschap, Koninkrijk). Dan wordt verhoord: "Uw Koninkrijk kome, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde".

Wie wťl op de natuurlijke dingen en op aardse tekenen blijft zien, blijft gelijkvormig aan deze wereld en wordt niet hervormd door de vernieuwing van zijn denken. Hij zal nooit weten wat de wil van God is, wat het goede en wat het Gode welgevallige is (vgl.Rom.12:2). En wat wil God in de allereerste plaats? Dat Zijn koningschap komt gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Hij wil, dat "een Koning gaat regeren in gerechtigheid en vorsten zullen heersen naar het recht" (Jes.32:1).

Wie zich daarop richt, is als van adel. Hij "beraamt edele daden en staat voor wat edel is" (Jes.32:8). Als discipel van Jezus maakt hij zich los van al dat aardsgerichte denken. Hij heiligt zich en "bedenkt de dingen die boven zijn" (Col.3:2). Hij richt zich op uit het laagliggende stof en heft het hoofd op naar het hoogstaande in het Koninkrijk der hemelen. Zijn gedachten zijn niet langer gespitst op wat zich voltrekt in deze duistere wereld, maar hij zoekt het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid (Mat.6:33). Zo staat hij op vanuit de doden om hem heen. Met zijn geest woont hij niet langer "op de aarde" (vgl. Op.3:10). Nee, hij laat zich "opwekken en een plaats geven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus" (Ef.2:6). DŠŠr, in de geest, wordt de komst van het Koninkrijk Gods gezien. Het komt niet met oogwaarneming, niet door het zorgvuldig observeren van de tekenen der tijden, noch door meer studie en denkwerk, niet door kracht of door geweld, niet door nog meer uiterlijke devotie, maar door Gods Geest.

Het Koninkrijk der hemelen komt in onze harten, als "rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest" (Rom.14:17). Door Zijn koningschap in ons binnenste worden wij "in alles meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad" (Rom.8:37). Wij juichen: "God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren" (2Cor.2:14). Het hemelse koningschap komt in ons binnenste, in het eeuwige heden. Niet alleen toen in die opwekking. Niet daar in die fijne gemeente. Niet hier in ons groepje. Ook niet alleen later als Jezus verschijnt en Zich zal manifesteren. Het Koninkrijk Gods komt in ons, als wij ons heiligen en in alle oprechtheid bidden: "Uw koningschap kome, Heer, ook in mij".



NIET HIER, NIET DAAR

Dat het niet hier is en niet daar, wil ik illustreren met maar twee voorbeelden, ťťn uit het oude testament en ťťn uit het nieuwe.

De reis van Abraham.

Abraham had eens in Ur der ChaldeeŽn gewoond, ťťn van de welvarendste steden van het oude Babylon (Gen.11:31). Ur betekent licht, licht van een vlam. Dat is niet het licht van God, maar eigengemaakt licht met behulp van een vuurtje of een fakkel. In Babel komt het licht niet van God, maar is het door mensen aangestoken. Het is het licht van menselijk denken over goddelijke zaken. Abraham werd geroepen om dat licht achter zich te laten. Vijf oudvaders, waaronder Sem, de zoon van Noach die de zondvloed had overleefd, waren nog in leven. Hij moest hen toch verlaten, hoe oud en wijs ze ook waren. God zou hem leiden naar een beter land (Gen.12:1, Hebr.11:16).

Uit Babel trekken is een beeld van het verlaten van de duisternis van godsdienstige systemen die door menselijke inspanning in stand worden gehouden. In het beloofde land komen is een beeld van het binnengaan van het Koninkrijk Gods, waar het Licht straalt van de Geest die ons Christus doet kennen.

Abraham trok uit Ur, omdat hij iets in de geest had gezien. Hem was het nieuwe paradijs getoond als een prachtige stad die God Zelf had ontworpen (Heb.11:10). Daar schijnt de heerlijkheid van God en stroomt de rivier van levend water (Op.21:11, 22:1). Daar staat het geboomte des levens aan de oevers van de rivier (Op.22:2). Abraham zocht dat land (Heb.11:16). "Door het geloof is hij in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, zonder te weten waar hij komen zou" (Heb.11:8).

Toen hij in Kanašn aankwam, verscheen God hem opnieuw en herhaalde de belofte (Gen.12:7-8). En weet u, hoe hij toen zijn tent opzette? Met Bethel naar het westen. Hij was steeds op reis geweest, westwaarts trekkend, met de zon mee. En toen hij in Kanašn was aangekomen, richtte hij zijn tent wťťr verder westwaarts, richting Bethel (= huis Gods). Daarmee gaf hij te kennen, dat zijn reisdoel Bethel was, verder westwaarts, om, zoals David dat uitdrukte, "te verblijven in het huis Gods, al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid van de Heer te aanschouwen en om daar bij Hem te zijn" (Ps.27:4). Dat was zijn verlangen: bij God te zijn, in Zijn huis. Hij was uit Ur getrokken op zoek naar het land van God. Eenmaal aangekomen in het aardse Kanašn, moest hij erkennen: "Het was niet daar in Ur. Het is ook niet hier in Kanašn. Ik ben ook hier vreemd, nog niet bij Hem, in Bethel" (vgl. Heb.11:9). Dit Kanašn bleek niet te zijn wat God beloofd had. De belofte gold voor een hemels land (Heb.11:13-15).

Daarom bouwde Abraham in Kanašn geen huis of stad. Hij bleef op weg naar wat God had beloofd. "Hij bleef in tenten wonen met Izak en Jakob, die medeŽrfgenamen waren van deze belofte; want Hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is" (Hebr.11:9-10).

Ook nu zijn er gelovigen, die uit hun stad zijn getrokken, omdat ook hun een hemels land is getoond (Op.21:9-22:5). Ook zij zijn op weg. Ze hebben geen "huis" meer om in te "wonen". Net als Abraham trekken ze voort "in een tent", richting "Bethel". Wat Abraham wist, weten zij ook: het is niet daar en het is niet hier. Het is in geest en waarheid.

Het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw.

"Jezus moest door Samaria gaan" (Grieks: edei=moeten, gedrongen worden, Joh.4:4). Altijd deed Hij dat, waar de Geest Hem innerlijk toe drong. Zo kwam Hij terecht in het gebied van de Samaritanen, met wie Joden niet omgingen (Joh.4:9). Daar raakte Hij in gesprek met een vrouw, die water kwam putten uit de bron van Jakob, vlak bij de berg Gerizim.

Wat een verschil van denken kwam er in dat gesprek aan het licht! De Samaritaanse dacht aan het water uit de put van Jakob (v.11). Jezus dacht aan het water uit de rivier Gods (v.10). Zij dacht aan kortstondig dorstlessend water. Jezus had het over water, waarvan je nooit meer dorst krijgt. Zij dacht aan water dat je steeds maar weer moest gaan halen, maar Jezus sprak van een nooit afnemende, innerlijke stroom van levend, kristalhelder water dat ontspringt uit de troon van God en dat een fontein wordt in ons (v.14).

Het verschil is duidelijk. De vrouw dacht in natuurlijke termen, oudtestamentisch. Jezus sprak van eeuwige, geestelijke realiteiten, nieuwtestamentisch. Haar denkwijze was oud, Jezus' denkwijze nieuw. Zij had gedachten van beneden, Hij gedachten van boven. Zij woonde met haar geest op aarde, Jezus was van boven en sprak over het hemelse (vgl. Joh.3:12).

Op een gegeven moment voelde de Samaritaanse het verschil aan en zei: "Ik zie, dat u een profeet bent" (v.19). Meteen vroeg ze Hem toen: "Heer, waar moeten we eigenlijk God dienen? Want onze vaderen hebben op deze berg aangebeden (op Gerizim, waar destijds de tempel van de Samaritanen stond, die in 129 voor Christus door de Joden werd verwoest). En de Joden zeggen, dat Jeruzalem de plaats is waar je moet aanbidden" (v.20).

En wat antwoordde de Heer haar? "Geloof Mij, er komt een tijd, dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden" (v.21). "Want de Vader, de Waarachtige die Geest is, zoekt mensen die Hem aanbidden zullen in geest en in waarheid" (v.23-24). Niet hier, niet daar, maar in geest en waarheid.



DE AARD VAN HET KONINKRIJK GODS

Het is in geest .....

Geest is het tegengestelde van vlees (Rom.8:3-7). In geest is het tegengestelde van in vlees. De aard van het oude verbond is in vlees, aards, tijdelijk, aanwijsbaar. De aard van het nieuwe verbond is in geest, hemels, eeuwig, onzichtbaar aanwezig. We zullen enkele voorbeelden geven om het verschil duidelijk te maken tussen in vlees en in geest.

Koningschap in het oude verbond was in vlees. David en Salomo waren koningen over een aards volk in een aards gebied. Het waren mannen die opgevolgd werden door lijfelijke zonen, kroonprinsen. Maar het koningschap in het nieuwe verbond is in geest. Men krijgt er deel aan door geboren te worden uit God uit "water" (=Woord) en "adem" (=Geest, Joh.3:5).

Deze geestelijke geboorte kan men niet zien, maar is net als de wind. Die "blaast, waarheen hij wil: je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heengaat. Zo is ieder, die uit de Geest geboren is" (Joh.3:8). Het waarvan en het waartoe van Gods Geest is dus niet te bevatten. We ervaren Zijn werking. Zo ervaren we ook de komst van Zijn goddelijk koningschap in ons (Luc.17:21b, 1Pet.2:9).

Voor priesterschap geldt hetzelfde. In het IsraŽl van het oude verbond werd je priester, omdat je vader priester was. Iedereen kon zien wie priesters waren: mannen uit de stam van Levi. Ze dienden God op uiterlijke wijze, met riten en ceremoniŽn, in priestergewaden, op een aardse plaats, in vlees. Trouwens, ieder die God uitsluitend zo meent te moeten dienen, dient Hem in vlees. Het nieuwe verbond kent alleen priesters in geest. "Niemand van hen matigt zichzelf die waardigheid aan, maar men wordt ertoe geroepen door God" (Heb.5:4). Ze worden niet door mensen, maar door Hem aangesteld en ingewijd. Ze zijn niet te herkennen aan naam, kledij of titel, maar door een innerlijk getuigenis. Alleen een geestelijk mens herkent hen en erkent hun bediening van het "dragen van de ark, het staan voor de Heer om Hem te dienen en het zegenen in Zijn naam" (Deut.10:8).

Nu het begrip Gods huis. Men ziet in het oude verbond het huis van de Heer als een gebouw van steen (1Kon.6:7). Gods huis was "de tempel van de Heer te Jeruzalem" (1Kon.12:27). Het was "een heiligdom voor deze wereld", met "bepalingen voor het vlees". Die bepalingen zouden gelden tot de tijd van herstel en vernieuwing, tot de tijd dat er van een nieuwe tempel sprake kon zijn (Heb.9:1, 9-10). Die nieuwe tempel bestaat niet uit blokken uit een steengroeve, maar uit levende stenen (1Pet.2:5a). God bouwt dat Huis en alle "stenen" worden harmonisch samen gehouden door de heilige Geest (Ps.133). In dŠt "Huis" woont de Vader: in al die levende "stenen", in al die vele "woningen" (Joh.14:2). Zij vormen samen het huis van "de onvergankelijke, onzienlijke, enige God" (1Tim.1:17). Het is een huis in de geest, met "een heilig priesterschap, tot het brengen van geestelijke offers, die God welgevallig zijn door Jezus Christus" (1Pet.2:5).

Er zijn veel meer voorbeelden te geven, om het verschil tussen in vlees en in geest te verduidelijken. Het meest elementaire verschil is wel dit: wat in vlees is, kan worden geleerd en moet worden gedaan. Wat in geest is, kan alleen worden gezien door de Geest der waarheid en moet worden geloofd (Heb.11:1). Helaas wordt wat in geest is door velen verworpen (vgl. Joh.1:9-11). Want "een ongeestelijk mens aanvaardt niet wat van de Geest Gods is, hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is" (1Cor.2:14).

Hoe dacht Jezus? Hij was "van boven", "als mens opgestegen naar de hemel" (Joh.3:13). Hij dacht altijd in geestelijke realiteiten. Het voedsel dat Hem echt bevredigde was het doen van de wil van de Vader (Joh.4:34). Zijn brood was hemels brood, Zijn drank levend water uit God. Hij wilde wel Koning zijn, maar dan in geest. Hij benadrukte dit voortdurend en zei: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Anders zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd. Mijn Koninkrijk is niet van hier" (Joh.18:36). En zo zouden wij, volgelingen van Jezus, ook moeten denken, zegt Paulus. "Laat die gezindheid (Grieks: phroneo=wijze van denken) bij u zijn, die ook in Christus Jezus was" (Fil.2:5). "Als u met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen, die boven zijn waar Hij is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn" (Col.3:1-2). En bid daarbij: "Laat komen Heer, uw Rijk. Laat Uw Koninkrijk, dat van de hemelen, komen ook in mij".

Het is in waarheid .....

Het Griekse woord voor waarheid (aletheia) betekent ook realiteit. Het Koninkrijk der hemelen is in geest en aletheia.

Alle ceremoniŽn van het oude verbond zijn slechts schaduwen (Heb.8:5, 10:1). Pas in het nieuwe verbond mogen we de geestelijke realiteiten leren kennen. Schaduwen zijn heenwijzingen, nooit de realiteiten zelf. De offers zoals beschreven in de eerste zeven hoofdstukken van Leviticus wijzen op aspecten van het ware offerlam, "dat geslacht is sedert de grond(=neer)legging van de wereld" (Op.5:6, 13:8). Dat Lam is Jezus (1Cor.5:7). Hij is de realiteit.

Het is net als met foto's. Een foto van je gezin is maar een plaatje, dat, als je van huis bent, beter iets is dan niets. Maar zo'n plaatje haalt het niet bij de realiteit thuis. En een foto van iemand die je nog nooit hebt ontmoet, geeft een idee hoe hij er in werkelijkheid uit moet zien. Welnu, het oude verbond is als het ware een fotoboek, dat ons vertelt over "de genade en de aletheia (waarheid ťn realiteit), die door Jezus Christus zijn gekomen" (Joh.1:17).

Nu doet zich een probleem voor. Voor de natuurlijke mens is alles wat hij ziet en kan aanraken reŽel en waar. Geestelijke zaken vindt hij maar vaag en onzeker. In het Koninkrijk Gods is dat net andersom. God is geest (Joh.4:24). Bij Hem zijn geestelijke, blijvende, hemelse, eeuwige dingen reŽel en waar.

En ook een geestelijk mens ziet "niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is maar tijdelijk, het onzichtbare eeuwig" (2Cor.4:18). Voor hem is Jezus als levendmakende Geest zeer reŽel (1Cor.15:45). Niet een gebouw of een kerkelijke groepering is voor hem de kerk. De Kerk is voor hem Gods hemelse Huis. Dat is voor hem de realiteit waar hij wil zijn al de dagen van zijn leven (Ps.27:4). De werkelijkheid ligt voor hem in het onzichtbare.

Aletheia (waarheid in de zin van realiteit) ligt dus niet in Joodse of christelijke rituelen, ceremoniŽn en gewoonten. Dat zijn op z'n best heenwijzingen naar wat er in Christus is. Het zijn de "plaatjes" van de "geestelijke goederen" die niet van deze wereld zijn (Heb.9:11). De aard van het Koninkrijk Gods is dus in geest. Het komt niet met oogwaarneming, niet op ťťn of meer bepaalde plaatsen. Het komt in geest. En in waarheid. Dat is: als eeuwige realiteit.

Het komt ťn is nu .....

Geloven dat het Koninkrijk Gods komt in een verre toekomst is niet zo moeilijk. Maar er is echt wel geloof nodig voor het ervaren van het koningschap van de Heer nu, voor het persoonlijk "Hem kennen en de kracht van Zijn opstanding" (Fil.3:10).

Eens had Jezus gezegd: "Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven" (Joh.5:25). Hij zei, dat de opstanding vanuit de doden voor de Zijnen kan komen in het heden. De opstanding komt ťn is nu. Alle geestelijke realiteiten komen in het nieuwe verbond in het heden van elke tijd. Ze komen ťn zijn, nu, op elke jongste dag dus.

Martha, de zus van de gestorven Lazarus, had zich dat nog niet kunnen realiseren. Zij zei tegen Jezus: "Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage" (Joh.11:24). Ze bedoelde daarmee: op een jongste dag ergens in de toekomst. En toen antwoordde de Heer: "Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven. En ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?" (Joh.11:25-26).

Net als Martha dacht ook de Samaritaanse vrouw. Ze dacht aan later toen ze zei: "Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt en wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen" (Joh.4:25). Zoals zoveel gelovigen zat ze vast aan het verleden (ze putte steeds uit de bron van Jakob) en tegelijk hoopte ze op verlossing in de toekomst. Jezus bepaalde haar bij het heden. Hij zei: "Ik ben de Christus, Ik, die met u spreek" (Joh.4:26). Hij zei niet: Ik zal het zijn, of Ik was het, maar Ik ben het! Het was zo'n openbaring voor haar, dat ze "haar kruik liet staan, naar de stad ging en zei: Kom mee, want ik heb de Christus ontmoet" (Joh.4:28-29). De Messias was hier en nu!

Het is gemakkelijk om het koningschap van God later te verwachten. Maar Jezus zegt: "De ure komt en is nu" (Joh.4:23). We mogen het nu al zoeken (Luc.12:31). En we kunnen het nu al kennen (Mat.13:11). We mogen het nu ontvangen als een kind en het met kracht zien komen (Luc.18:17, Heb.12:28, Mar.9:1). "Het Koninkrijk Gods is in u" (Luc.17:21). In ons binnenste mogen we met Hem aanliggen om "nieuwe wijn" te drinken en het "verborgen manna" te eten (Luc.13:29, Mar.14:25, vgl.Luc.14:15-23).

Daarom wil God, dat Zijn eerstelingen nu uitgaan uit Babel. Hij wil hen nu uitleiden uit Egypte en hen nu doen ingaan in Zijn Koninkrijk. Hij wil nu gezien (=gekend) worden van aangezicht tot aangezicht. Want dat is het doel: Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding, Hem te zien zoals Hij is en Hem gelijk te zijn (Ef.1:17, Fil.3:10, 1Joh.3:2). Er wordt te veel over God gepraat. Om Hem echt te leren kennen, moeten we met Hem leven, persoonlijk met Hem spreken, Hem in alles om raad vragen, Zijn wil leren kennen en doen. Davids grootste verlangen was, om altijd bij Hem te zijn, "om Zijn liefelijkheid te aanschouwen en om te (onder)zoeken in Zijn tempel" (Ps.27:4). Die tijd komt ťn is nu (Joh.4:23).

Het al of niet leven in het Koninkrijk der hemelen in het heden is een keuze en een test voor iedere man of vrouw die zegt God te willen kennen. De vraag is steeds: "Wil ik de koninklijke weg vandaag wel gaan? Mag Hij vandaag Koning in mij zijn?". Want het is heel wat, om Zijn heerschappij in ons alledaagse leven te accepteren. Het betekent, dat we niet langer geleid zullen worden door traditie of "vlees en bloed", maar door Zijn Geest.

Ons geloof was eens op de Jezus van 2000 jaar geleden gericht en dat was goed. Iedere gelovige ziet ook uit naar de toekomst en dat is ook goed. Maar de ure komt ťn is nu, dat we onze "hoofden omhoog moeten heffen, opdat de Koning kan binnenkomen" (Ps.24:9-10). We moeten leren op Jezus te zien, zoals Hij nu is. En hoe is Hij nu? Hij is nu de levendmakende Geest (1Cor.15:45).

Wat voor de komst van het Koninkrijk Gods geldt, is ook van toepassing op de komst van de dag des Heren. Die dag is gťťn datum op de kalender, geen sabbat of zondag van vierentwintig uur en ook geen dag van duizend jaar. De dag van de Heer komt ťn is. God is licht (1Joh.1:5). Als Hij ons door Christus licht geeft met Zijn heerlijkheid, geeft Hij een "dag", die Hij gemaakt heeft (Jes.60:1, Ps.118). Wij hebben dan het licht des levens, Zijn waarheid, heerlijkheid en majesteit. We zijn dan kinderen van het Licht, kinderen van de "dag".

In Genesis noemde God het Licht dat Hij schiep dag. Nu zegt Jezus: "Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben" (Joh.8:12). Hij is de dag! Hij zei ook tegen Zijn discipelen: "Jullie zijn het licht van de wereld" (Mat.5:14). En Paulus zegt: "Broeders, wees allemaal kinderen van het licht en kinderen van de dag. We horen toch niet toe aan nacht of duisternis!" (1Thes.5:4-5). In Christus zijn wij kinderen van de dag van de Heer, omdat de Zon der gerechtigheid in ons is gaan schijnen (Mal.4:2).

We hebben aangetoond, dat de komst van de dag des Heren van dezelfde aard is als die van het Koninkrijk Gods: in geest, in waarheid en in het heden van elke tijd.

Wie dus nu niet ziet in geest en waarheid, is nog in duisternis (Joh.12:46). Hij blijft de dag van de Heer en de komst van Zijn Koninkrijk wel hier of daar verwachten, maar niet in zich, wel later, maar niet heden. Hij blijft naar uiterlijkheden jagen, naar menselijke grootheid, naar wat voor ogen is. "Dit alles is zonder enige waarde en dient slechts tot bevrediging van het vlees" (Col.2:23). Hij verwerft misschien alles wat het vrome vlees nodig heeft, maar mist "allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus" (Ef.1:3).

Maar als eenmaal de blinkende morgenster in zijn nacht gaat verschijnen en hij herkent die als zodanig, moet hij zich klaarmaken voor de dag. De morgenster kondigt namelijk de morgen van een nieuwe dag aan. Hij wekt de hoop, dat de Zon spoedig zal opgaan. Dat is Christus in ons, de hoop der heerlijkheid. Dat is het waarachtige licht dat ieder mens verlicht, tot eer van God, de Vader.


Home page