Home page



Het doen van Gods wil
en het Koninkrijk Gods



"Uw naam worde geheiligd,
Uw Koninkrijk kome
en Uw wil geschiede

gelijk in de hemel alzo ook op de aarde"

(Mat.6:10)


INLEIDING

Jezus leerde Zijn discipelen te bidden: "Onze Vader in de hemel, laat Uw naam geheiligd worden en Uw koninkrijk komen". Voor waar en wanneer zou Hij dat bedoeld hebben? Voor hier op aarde, in de Zijnen: "onze Vader..., geef ons..., vergeef ons..., leid ons..., verlos ons ..., dat in ons Uw wil geschiede" (Mat.6:10-13).

Destijds leerde Hij dat aan "12" discipelen. Nu zijn het er "144.000". Hij roept hen op om Gods wil te doen en de koninklijke weg te gaan, net als Hij (Joh.20:21). Want hemels koningschap zien we alleen komen, als we Gods wil doen. "Wie de wil doet van Mijn Vader in de hemel, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan", zegt Jezus (Mat.7:21). Niet later, daarginds in de hemel, maar hier en nu. Dt evangelie van basileia (van koningschap Gods en koninklijke waardigheid) moet eerst geproclameerd en geopenbaard worden, voordat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde kan komen (Mat.24:14, Rom.8:19, Op.21:1-8). En daarom wil Hij, dat wij z bidden: "Vader, laat in mij Uw naam geheiligd worden. Bewerk in mij Uw wil voor mijn leven. Die zal ik van harte doen: ik zal U Koning laten zijn".

Wie dat bewaarheid ziet, is op de smalle weg ten leven en groeit op tot geestelijke volwassenheid. Hij ziet het koningschap van God komen in zijn binnenste. Want, zegt Jezus, dr komt het in eerste instantie: in u (Luc.17:21).


KONINGSCHAP IN DE BIJBEL

God is niet zo maar een koning. Hij is de Grote Koning, die regeert in een "rijk dat bestaat in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de heilige Geest (Ps.48:2, Mat.5:35, Rom.14:17). Waar Hij regeert, is licht, waarheid (Ps.89:16-19).

In Isral had God Koning willen zijn. Als het Zijn wil zou doen, zou het een licht zijn voor alle volken (Jes.42:6, 49:6-7). Maar vaak dacht het niet aan Hem en deed ieder wat goed was in eigen ogen (Richt.8:33, 17:6). We lezen zelfs, dat een zekere Abimelech zichzelf tot koning over Isral had gemaakt (Richt.8:33-9:3). Hij, een onecht kind van Gideon, moest en zou regeren en om dat te bereiken vermoordde hij al zijn halfbroers op n na. Hij had er zeventig. Alleen de jongste wist te ontkomen: Jotham (9:1-6). Deze vertelde toen een gelijkenis die z begon: "Eens gingen de bomen op weg om een koning over zich te zalven. Maar wie zou het moeten zijn?" (9:8).

"Bomen" typeren persoonlijkheden. De boom des levens is een beeld van Jezus, die als mens opgroeide voor Gods aangezicht (Jes.53:1-3). Er zijn "eiken van gerechtigheid", "olijven", "mirten", "palmbomen", "vijgenbomen", "wijnstokken" en "geboomte langs de rivier Gods" (Ps.1:3, Op.22:1-2). Ze vormen samen "de hof van de Heer", Zijn paradijs, "de planting van de Heer" (Jes.51:3, 58:11, 61:3, Op.2:7).

Nu de gelijkenis van Jotham: "Wie moest over Gods volk koning zijn: een olijfboom, een vijgenboom, of een wijnstok? (9:8-12). Nee, alleen God! Zijn volk behoort naar Zijn stem te horen en Zijn wil te doen. Niemand mag heersen over Zijn volk, geen met de Geest gedoopte "olijf", geen gezegende "vijg" met een genezingsbediening, zelfs niet een edele "wijnstok" . Alleen de Heer! Zij horen niet elkaars koning, heer of hoeder te zijn, maar elkaars broeder (Gen.4:9, Joh.15:13-14). Jezus, d Koning, wist dat en zei: "U zult u niet rabbi laten noemen, want n is uw Meester. Jullie zijn allemaal broeders" (Mat.23:8). Abimelech had zichzelf tot koning over Gods volk gemaakt. Hij bleek een stekende doornstruik te zijn, in wiens schaduw niemand schuilen kon (Richt.9:14-20).

Zulke mensen zijn er altijd geweest. En omdat de Heer hun huis niet bouwt, hebben ze het z druk! Waarmee? Met het controleren van de schapen. Ze doen dat vaak met hardheid, want er staat veel eigen belang op het spel (Richt.9:5, Ez.34:1-4). Jezus noemt hen rovers, huurlingen, moordenaars (Joh.10:1,12, Mat.23:31).

God geeft Zijn koningschap dus niet om over anderen te bazen (Mat.20:26). Het komt in ons om over ons ego te heersen, om elkaar in waarachtige liefde te dienen (Mat.20:26-27). Wie dat kent, is in Gods ogen waarachtig koning, vl sterker dan wie over anderen heerst, vl sterker dan hij die een stad inneemt (Spr.16:32).


DE KONINGEN VAN ISRAL

Even later gebeurde het, dat de oudsten van Isral tegen Samuel zeiden: "U bent oud en uw zonen volgen uw voorbeeld niet. Benoem liever een koning zoals alle andere volken er een hebben" (1Sam.8:5). Dat mishaagde Samuel en daarom sprak hij erover met de Heer (8:6). Toen zei de Heer: "Luister maar naar wat ze vragen. Ze verwerpen niet jou. Ze verwerpen juist Mij als koning. Zo is het al vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte leidde. Ze keren Mij steeds de rug toe ....." (8:7-8). Ook moest Samuel het volk waarschuwen voor de consequenties (8:9-18). Maar "ze trokken zich niets van hem aan. Nee, we willen een koning. Dan pas zijn we gelijk aan andere volken. We willen iemand die ons bestuurt en ons voorgaat in de strijd" (8:19-20). Toen zei de Heer: "Samuel, luister maar naar hen. Stel maar een koning over hen aan" (1Sam.8:21-22).

De Hemelkoning werd vervangen door een aardse koning. En al gauw zou blijken, dat men voor de Heer des hemels ook een aards huis wilde maken, weer iets wat Hem zeer zou mishagen. "Mijn volk bedrijft twee boze daden: ze verlaten Mij, de bron van levend water en houwen bakken uit, gebroken bakken, die geen water houden" (Jer.2:13).

Herkennen we dat? Want hoe is het nu met het volk van God? Helaas hebben ook nu veel gelovigen liever een mens boven zich naar wie ze kunnen luisteren dan de Heer. Het moet wel iemand zijn, die met kop en schouders boven de ander uitsteekt qua intelligentie, energie, organisatietalenten en overwicht. Een soort schoolmeester dus, of een manager die we voorganger, priester, of dominee noemen. Waar laat men God Koning zijn? Wie durft naar Zijn stem te luisteren en van harte Zijn wil te doen?

Het volk wilde dus een koning en die konden ze krijgen (1Sam.8:5, 21-22). Voor alles geldt, dat we kunnen krijgen wat we willen hebben, wat het ook is: een bediening, macht, roem, ziels genot. Maar let wel op de gevolgen, als het de wil van God op een zijspoor zet! Er staat: "God gaf hun wat ze begeerden, maar met magerheid aan hun zielen: ze zouden wegteren" (Ps.106:15, NBG en St.Vert.).

Wat die koningen van toen betreft: het zouden er uiteindelijk 42 worden (6x7, 6=de mens, 7=volheid). De meesten van hen zouden hun eigen wil doen. Enkelen ervan deden "wat goed en recht en trouw was in de ogen van de Heer" (bv. 2Kron.14:2, 31:20). Alleen van David wordt gezegd, dat hij al Gods wil deed (1Sam.13:14).

Het is ondoenlijk ze nu allemaal te behandelen. We beperken ons tot de eerste drie: Saul, David en Salomo. Ze regeerden alle drie 40 jaar, voordat het rijk in tween uiteenviel (40=volledig beproeven). Van hun houding zullen we vast wel iets herkennen in geestelijke leiders om ons heen en, wat belangrijker is, in wat er in onze eigen natuur huist als het gaat om koningschap in ons leven.


SAUL

De eerste koning die Isral kreeg was Saul, een jongeman uit een rijke familie, de knapste onder de Isralieten die een hoofd boven iedereen uitstak (9:1-2). Dat was er nog 's n om het land te besturen en het volk te verlossen van de Filistijnen! (9:16). God liet hem eerst door Samuel zalven en daarna door het volk kiezen. "Het hele volk juichte: Lang leve de koning!" (10:1-24).

Een beter begin was nauwelijks denkbaar: door een profeet gezalfd, door het volk gekozen, door God een ander hart gegeven en door Zijn Geest z aangegrepen, dat hij samen met een groep profeten in geestvervoering raakte en aan het profeteren sloeg (10:9-11). En het vervolg mocht er ook zijn: met een klinkende overwinning bevrijdde hij Isral van de Ammonieten. Hun koning heette Nahas (=slang, 11:1-13). Wat was iedereen blij (11:14-15)! Behalve Samuel dan, die zei: "Weet, dat het kwaad groot is in de ogen van de Heer door voor u een koning te vragen" (12:17). Hij wist, dat Saul alleen zou worden bevestigd, zolang hij God Koning liet zijn. Deed hij zijn eigen wil, dan zou het niet goed gaan (12:12-25). Samuel zei dan ook: "Mensen, blijf de Heer trouw dienen met je ganse hart" (12:23-24).

Wat zou dat moeilijk blijken te zijn! Toen opnieuw de vijand het land binnenviel, had het volk het niet meer van angst (13:6-7). Ook Saul, die zeven dagen op Samuel had zitten wachten om de Heer offers te brengen, raakte in paniek toen zijn mannen van hem begonnen weg te lopen (v.8). Toen besloot hij om die offers zelf maar te brengen (v.9). Hij was nauwelijks klaar met het eerste, toen Samuel verscheen. Die zei meteen: "Wat heb jij nou gedaan, ongehoorzame dwaas die je bent! Dit gaat je het koningschap kosten! Je hebt niet gedaan wat de Heer je opdroeg" (v.13-14). De strijd tegen de Filistijnse bezetting zou dan ook, ondanks het moedige optreden van Saul's zoon Jonathan, erg moeizaam verlopen en lang duren (14:1-52).

Daarna droeg God hem op om Amalek te verslaan, maar dan volledig (15:1-3). Dat was een uitermate wreed en destructief volk dat eeuwen lang het hele Midden Oosten had geterroriseerd. Maar Saul stond z onder druk, dat hij naar mensen begon te luisteren. Natuurlijk zou hij Amelek verslaan, maar, zei men, het beste vee moest wel als buit gespaard blijven. En dat gebeurde! Ook liet hij hun koning als overwinningstrofee in leven. Toen zei de Heer: "Het berouwt Mij, dat Ik hem tot koning heb aangesteld, want hij voert Mijn bevelen niet uit" (v.10-11). Hij deed Gods wil wel, maar halfslachtig. Hij was ongeschikt om namens God koning te zijn (v.27-35). Saul richtte zich niet volledig op de wil van God, maar hield ook rekening met de mening van mensen. Toen het volk voor de strijd wegliep, verloor hij alle vertrouwen in de Heer (13:9). En toen het leger om buit vroeg, gaf hij toe. Hij vreesde het volk (15:24). En toen hij begreep, dat God hem als koning had verworpen, mocht het volk er vooral niets van weten (15:30-31). Zo gaat het als je de Heer niet dient met je ganse hart (12:24).

Zo belandde Saul in een neerwaartse spiraal. Wat was hij bang, toen de Filistijnen opnieuw aanvielen. Wat was hij bang voor Goliath (17:11). Ook voor David werd hij z bang, dat hij voor hem in een bittere vijand veranderde (18:10, 12, 29). Maar het absolute dieptepunt was zijn bezoek aan een medium om de geest van Samuel op te roepen (28:1-25). En dr had Samuel hem nu juist z voor gewaarschuwd: "Ongehoorzaamheid leidt tot toverij en afgoderij, het is een gruwel in de ogen van de Heer" (15:23). Het logische gevolg was een verpletterende nederlaag, waarin niet alleen Saul, maar ook zijn drie zoons het leven lieten (31:1-13).

Geeft God nu ook leiders om anderen dienend voor te gaan? Natuurlijk! (Ef.4:11). Maar Hij zal hun leiderschap alleen bevestigen, als ze Zijn wil van harte doen. Als ze dat niet doen en tch Gods volk blijven leiden, worden ze net als Saul. Ondanks het feit dat hij profeteerde en een bevrijdingsbediening had, kon hij soms als een razende te keer gaan. En hij wantrouwde David, de gezalfde des Heren z erg, dat hij hem zou kunnen vermoorden (1Sam.18:9-11).

God maakt nu koningen, die niet met vleselijke, maar met geestelijke middelen "voor Zijn aangezicht op de bres staan ten behoeve van het land" (2Cor.10:4, Ez.22:30). Welk land dat nu is? Een aards land? Nee, Gods land is hemels. Het is het Koninkrijk der hemelen, met als hoofdstad het hemelse Jeruzalem, dat wordt verlicht door Zijn hemelse heerlijkheid (Op.21:11,23).


DAVID

God vond voor Saul iemand anders om namens Hem koning in Isral te zijn. Het werd de achtste zoon van Isai (=man van de Heer). Het was David, "een man naar Gods hart, die al Zijn bevelen zou volbrengen" (1Sam.13:14, Hand.13:22). Hij zocht "te verblijven in het huis van de Heer al de dagen van zijn leven, om de liefelijkheid van de Heer te aanschouwen en om te onderzoeken (=te zoeken naar Zijn wil) in Zijn tempel" (Ps.27:4).

Wonderlijk, dat hij dit schreef, terwijl er nog geen tempel was. Hij bedoelde dan ook niet een gebouw als tempel, maar je eigen leven als tempel, met de zegenende aanwezigheid van God erin (1Cor.3:16). Wat hij wilde was dit: "Heer, ik wil mijn leven lang samen met U zijn en naar Uw wil vragen".

Het "huis van de Vader" kan niet van hout of steen zijn. Het kan geen kerkelijke organisatie, stichting, instelling of genootschap zijn. Zijn woning is in een ieder, in wie Hij Zich thuis kan voelen en in wie Hij Zich kan openbaren. Zijn "huis", Zijn "stad", Zijn "land" is "waar de Heer is" (Ez.48:35). Gods huis kan overal zijn. Toen Hij aan Jakob verscheen, was Zijn huis het open veld (Gen.28:10-22). Bij de jonge David was het bij de schapen. Toen hij door Saul werd opgejaagd, was het in woestijnen en in grotten. En toen hij koning werd in Jeruzalem, woonde God dr bij hem. David zocht maar n ding: samen met de Heer te zijn, waar dan ook! Daarom "zouden heil en goedertierenheid hem volgen, al de dagen van zijn leven" (Ps.23:8).

Dat God met hem was, zou meteen al blijken bij de confrontatie met de reus Goliath. Hij trad hem tegemoet in de naam van de Heer der heerscharen (1Sam.17:45). Wat een verschil met Saul! Die werd steeds banger gemaakt door een boze geest (16:13-14, vgl. 17:11, 28-30 en 33). Maar de jonge herder trad op de reus toe en zei: "Ik kom in de naam van de Heer, die je getart hebt. Hij geeft je in mijn macht, maar niet door een zwaard en een speer. Want het is Zijn strijd" (1Sam.17:45-47).

Waar staat die Goliath eigenlijk voor? Dat wordt duidelijk, als we de parallellen zien in Danil. Goliath betekent ballingschap. Later was het volk Isral in ballingschap, in Babel. Danil vertelt, dat daar de koning droomde van een reuzenbeeld. Het werd ook geveld door een steen. Er kwam geen mensenhand aan te pas. En de steen die het had getroffen werd een grote berg, die de hele aarde vulde (Dan.2:35). Die droom laat de groei van het Koninkrijk van God zien, "waaraan geen einde zal komen op de troon van David" (Jes.9:6). God velde "Goliath" ook met een steen, uit David's slinger (1Sam.17:48-50).

Later liet diezelfde koning van Babel een echt gouden beeld maken van zestig el hoog en zes el breed. Iedereen moest het aanbidden (Dan.3:1-7). Nu Goliath: hij was zes el lang en droeg een lans van zeshonderd sikkels ijzer (1Sam.17:4,7). In de bijbel is zes het getal van de mens. Goliath symboliseert het door de mens grootgemaakte anti-christelijke Babylon, dat wordt overwonnen door het Lam en door hen die met Hem zijn (Op.17:14).

Aards-, mens- en groepsgerichte Sauls kunnen niets uitrichten tegen "Goliath". Babel wordt overwonnen door wie Gods wil van harte doen. Hij is de Koning. Hij maakt de Zijnen door Zijn Geest tot koningen over alle schijn en namaak van Babel. Hij is er overwinnaar over en de Zijnen zijn met Hem mede-overwinnaars. "Goliath" wordt geveld door wie als David "geroepen zijn n uitgekozen n trouw" (Op.17:14).

Dat betekent niet dat je eerst volmaakt moet zijn. David kende zwakke momenten. Hij beging ook misstappen. Neem het overspel met Bathseba en het laten sneuvelen van haar man. Maar toen een profeet hem daarover aansprak, reageerde hij heel anders dan Saul, die zijn ongehoorzaamheid aan Gods wil steeds probeerde te relativeren. David toonde meteen oprecht berouw. "O, Heer, wees mij genadig. Reinig mij van mijn zonde, want die staat bestendig voor mij. Schep mij een rein hart en neem uw heilige Geest niet van mij. En laat een gewillige geest mij schragen" (uit psalm 51).

Jezus was Davids zoon, ook iemand met een gewillige geest. Ook Hij deed van harte en volkomen de wil van de Vader (Mat.22:42, Ps.40:9, Joh.1:14, 4:34, 5:30). Net als David kende ook Hij menselijke zwakheden en beperkingen, maar Hij heerste over die alle (Jes.53:4, Heb.4:15, Joh.17:2). Nu is Hij verhoogd door de hand van God (Hand.2:33a). Hij is "de leeuw uit Juda, de wortel Davids, die heeft overwonnen" (Op.5:5). Nu doopt Hij de Zijnen met de heilige Geest om ook hen te maken tot koningen, die Gods wil volkomen doen en dus overwinnen (Op.5:10, Rom.8:37).


SALOMO

Aan het begin van de regering van Salomo verscheen de Heer hem in een droom. Hij had net duizend brandoffers op een offerhoogte laten brengen (1Kon.3:4-5). Was dat nu goed of kwaad in Gods ogen? Zou David dat gedaan hebben? Er staat, dat "Salomo zijn liefde tot de Heer betoonde door te wandelen in de inzettingen van zijn vader David; alleen ...... hij was gewoon op de hoogten offers te slachten en in rook te doen opgaan" (3:3). Hij bedoelde het wel goed, maar handelde hij naar Gods wil?

In die droom zei de Heer: "Vraag maar wat je wilt en Ik zal het je geven" (3:5). Toen vroeg de jonge Salomo om wijsheid! "En dat was goed in de ogen van de Heer" (3:10). Wel jammer, dat hij die wijsheid alleen vroeg "om het volk te besturen en te richten" (3:9). God beloofde hem rijk te zegenen zolang hij op Zijn wegen zou wandelen zoals David dat gedaan had" (3:13-14).

David had ook n ding gevraagd: bij de Heer te zijn en naar Zijn wil te vragen (Ps.27:4). Wat een verschil! Salomo zocht iets van God, terwijl David Hem zocht te verblijden met het van harte en volkomen doen van Zijn wil (Ps.24:6, 40:7-9, Heb.10:5-7). Hij wist, dat dt beter was dan slachtoffers (1Kon.3:4,15, 1Sam.15:22). Hij was echt een man naar Gods hart (1Sam.13:14, Hand.13:22).

Salomo kreeg wat hij had gevraagd. De roem van zijn wijze rechtspraak verspreidde zich snel door Isral en tot ver over de grenzen (1Kon.3:28, 4:34). Hij kreeg ook wat hij niet had gevraagd: rijkdom, eer, een lang leven, zolang hij Gods wil bleef doen (1Kon.3:13-14). Zou hij op Gods wegen blijven wandelen? Of zou hij eigenwillig worden?

Neem nu de tempelbouw. Eerst David. Die vond het niet goed, dat hij zelf in een huis woonde, terwijl de ark Gods onder een tentkleed stond. Toen zag God, dat David er een gebouw voor wilde maken (2Sam.7:5). En dat kon niet! "Zou jij voor Mij een huis bouwen? Ik heb nog nooit in een huis gewoond! Ik ben toch overal, waar je ook gaat!" (2Sam.7:5-6). Het huis van de Vader is toch in geest en waarheid!

Natuurlijk denkende mensen willen altijd godshuizen op een vaste plek met symbolen erin. Ze zoeken het altaar van gehoorzaamheid in een gebouw, niet in hun hart. Gods huis is onvergankelijk. Daarom zei God tot David: "Ik zal voor jou een huis bouwen en het koningschap van je nakomeling bevestigen. Hij zal voor Mij een huis bouwen. Ik zal zijn troon voor immer bevestigen, hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn. Uw huis en uw koningschap zullen vast staan voor altijd" (2Sam.7:5-16). Wie van Davids zonen zou Hij daarvoor gebruiken? Van wie zou het koningschap eeuwig vaststaan? Van zijn oudste, Amnon? Of van Kileab, Absalom, Adonia, Sefatja, Jithream of Salomo?

Van geen van allen! God denkt niet tijdelijk en aards. Hij sprak over een verre toekomst, over Jezus, Davids zoon (2Sam.7:19). Niemand kon dat toen overzien, David niet, Salomo niet. En toen die Zoon kwam om Gods tempel te zijn, begreep ook niemand dat behalve Hijzelf (Joh.1:11). Hij was het "huis" waarin de Vader woonde (Col.2:9). En in Hem, in Christus, zijn wij het huis van de Vader (1Cor.3:16,6:19).

Salomo dacht dat hij het wl kon bouwen. David had zich laten gezeggen. Salomo zette door. Hij zei tegen de koning van Tyrus: "Zie, ik denk voor de naam van de Heer een huis te bouwen, zoals Hij mijn vader David toegezegd heeft: door uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten" (1Kon.5:5). Ik denk ...! Wat hij dacht, was onvolledig en onjuist. Het was niet Gods wil. En wanneer dacht hij dat te gaan doen? Nadat Hij eerst voor zichzelf aan een paleis was begonnen, waar men dertien jaar mee bezig zou zijn (1Kon.3:1,7:1,13 e.v.).

Men deed zeven jaar over de tempel. Het werd een prachtig beeld van wat God eigenlijk bedoelt te doen met geestelijk materiaal. Toen het werd ingewijd, "vulde een wolk het huis, zodat de priesters niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de Heer had het vervuld" (1Kon.8:11). Het spreekt voor zich, dat in die heerlijkheid aardse priesters niet kunnen blijven staan om dienst te doen. Dat kunnen alleen nieuwe priesters, die Hem dienen in de geest in het nieuwe heiligdom in het nieuwe Jeruzalem.

Het rijk van Salomo was dus slechts een tijdelijk beeld van komende geestelijke realiteiten. De eerste periode van 20 jaar komt overeen met het 1000-jarig vrederijk in het boek Openbaring, want 1000 jaar omvat 20 jubeljaren. God gaf hem vrede en rust. Er was geen onheil, geen tegenstander, geen shatan (=het in 1Kon.5:4 gebruikte Hebreeuwse woord). Die periode wijst heen naar de "1000 jaar", waarin "de draak, de oude slang, dat is de duivel, de satan" gebonden zal zijn (Op.20:1-3).

Maar nu die tweede periode van 20 jaar van zijn regering. Die komt overeen met de "1000" jaar waarin satan vrij spel krijgt (Op.20:7). Salomo dwaalde steeds verder weg. Hij kreeg vreemde vrouwen lief uit de volken van wie de Heer had gezegd: "Je zult je met hen niet inlaten" (1Kon.11:1). "Die vrouwen (het waren er duizend) voerden zijn hart mee achter andere goden aan, zodat hij de Heer niet volkomen bleef toegewijd als zijn vader David. Zo liep hij Astarte van de Sidoniers achterna, en Milkom, de gruwel der Ammonieten. Hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren" (v.4-6). "Hij bouwde een hoogte voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Moloch, de gruwel van de Ammonieten" (v.7). "Dat deed hij voor al zijn vreemde vrouwen" (v.8). O, wat krenkte hij de Heer! Zijn rijk was lang geen heenwijzing meer naar het Koninkrijk van God (v.3, 9-13). Integendeel. Het volk liet hij gebukt gaan onder zware jukken (1Kon.12:4-14). Er waren weer tegenstanders. Er was onrust, onvrede, disharmonie (v.14-40). En Salomo stierf, "zestig" jaar oud (6=de mens, het vlees). Hij eindigde "in het vlees".

Wat er met Saul, David en Salomo gebeurde is typerend voor alle tijden. Steeds weer duikt de eigenzinnigheid van Saul op, of de afgang van Salomo, in het klein en in het groot, individueel en als gemeente. Al in de eerste gemeente dreigden de Galaten, die waren begonnen in de Geest, te eindigen in het vlees (Gal.3:3). Hoe ontkom je daar nou aan?

Het boek Openbaring geeft het antwoord: door het Lam te volgen in het van harte doen van Gods wil. Daar lezen we, dat er na de "1000" jaar vrede n de "1000" jaar van satan's losmaking een totale overwinning volgt, waardoor de ganse schepping komt tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen (Op.20:1-15, Rom.8:21). Die overwinning wordt behaald door het Lam en door hen, die met Hem zijn (Op.12:10-11, 14:1-5, 20:1-15). Dat is: door Koning Jezus, zoon van David, n door hen die Hem bleven volgen en die Hij heeft kunnen maken tot medekoningen (Op.5:10, 14:4, Rom.8:19).

Om met Hem zegevierende koningen te zijn, moeten wij dus volkomen met Hem n zijn aan Hem verkleefd (Ps.63:8). Als wij met Hem samengroeien, gaan we in Hem leven en met Hem sterven (Rom.6:5, 1Cor.15:22, Col.3:3). Met en in Hem wordt er een nieuw leven opgewekt en sterft ons oude ik (Gal.2:20). We lopen dan onder Zijn juk en op Zijn wegen (Mat.7:14, 11:29, 1Petr.2:21). Als David moet ons grootste verlangen dus zijn met Hem te leven, altijd bij Hem te zijn!


HET HOOGLIED

Over dat verlangen om bij Hem te zijn gaat het Hooglied. Vr Christus waren de rabbijnen het er al over eens dat het een allegorie was: het zou het liefdesverlangen tussen JHWH en het volk Isral bezingen. Christelijke theologen namen deze joodse visie over, maar nu zou het de liefde tussen Christus en Zijn Gemeente betreffen. Men ging er steeds van uit, dat het om de liefde ging tussen koning Salomo en een beeldschoon meisje, dat hij tot zijn bruid wilde maken.

Onlangs promoveerde mevrouw P.Stoop-Van Paridon op dit bijbelboek en zij kwam in haar dissertatie "Het Lied der Liederen" met een nieuwe n sluitende conclusie: de Sulamitische verlangde niet naar Salomo, maar naar een ander. Wie was die ander?

Ze ontdekte, dat het verhaal zich grotendeels afspeelt in de immens grote harem van Salomo, waar meisjes, concubines en koninginnen in een strikte hirarchie samenleven mt hun verzorgsters. In het Hooglied wordt, net als in het boek Esther, een pas gekomen meisje voorbereid om op een dag voor de koning te verschijnen. Als ze hem bevalt, maakt hij haar tot bijslaap. Baart ze een kind van hem, dan kan ze een koningin worden.

In een harem heeft iedere vrouw een persoonlijke verzorgster, een eigen schoonheidsspecialiste, ook dit pas gekomen meisje. Ze maakt haar op en moedigt haar aan met: "Op een merrie bij de wagens van Farao maak ik jou gelijkend" (1:9, letterlijk). Maar ze verzet zich met alles wat in haar is. Ze houdt van een ander, van een jonge herder die buiten op het veld bij de schapen is en aan wie ze voortdurend moet denken. Af en toe weten ze elkaar te spreken, waarschijnlijk aan een getralied raam van de harem.

Dan moet ze bij koning Salomo komen. Hij is diep onder de indruk van haar schoonheid. En als ze over haar geliefde zingt, verbeeldt hij zich, dat ze het over hm heeft en verheugt zich op wat hij denkt dat er komen gaat. Maar ze weigert halsstarrig om op zijn avances in te gaan. In het slothoofdstuk is ze uit de harem vrijgelaten en haast ze zich naar haar herder in het vrije veld. Ze wil bij hem zijn!

Salomo is in het Hooglied niet het type van Christus. Hij heeft een gigantische harem, een beeld van het grote Babylon, dat probeert de "bruid" vast te houden binnen haar muren. Maar de grote liefde van de Sulamitische is de "herder" buiten de "harem". En ze vindt Hem!

De les is: verzaak uw eerste liefde niet (Op.2:4). Wat is dat? Jeugdliefde of de verliefdheid van het pas tot bekering gekomen zijn? Nee, er staat protos: eerste in rang, hoogste. Onze eerste, hoogste en mooiste liefde is die voor onze Heer en God. Laat niets u daarvan afleiden. "Heb de wereld niet lief en wat in de wereld is, want dan is de liefde voor de Vader niet in u" (1Joh.2:15). Ga uit de "harem" van de (religieuze) wereld, je grote Liefde tegemoet. Hij roept Zijn bruid immers tot Zich, de "schaapskooi" uit, om met Hem te leven onder "een open hemel" (Heb.13:13, Joh.1:52, 10:1-16). En dt is pas leven! Dat is leven in overvloed! (Joh.10:10).


GODS WIL DOEN

Wie Jezus' offer persoonlijk aanvaardt, mag zeker weten gered te zijn. Dat is geen einddoel, maar een begin. Want wie van boven geboren wordt, is nog als een kind dat groeien en gesterkt moet worden door Gods Geest (Luc.1:80, 2:40). Die zal hem ook Gods wil doen kennen om die te gaan doen (Hand.22:14, Ef.1:9). Jezus kende dat. Zijn houding was steeds: "Vader, hier ben Ik om Uw wil te doen" (Ps.40:8, Heb.10:7,9). Wat heeft Hij daar nog meer over gezegd?

"Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. Want Ik ben van de hemel neergedaald, niet om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft....." (Joh.5:30, 6:38).

Men denkt vaak, dat het Jezus als Zoon van God veel minder moeite kostte om de wil van de Vader te weten en te doen. Maar is Hij niet aan de mensen gelijk geworden? (Fil.2:7). Net als wij had ook Hij een eigen wil, waarmee Hij moest beslissen of Hij Gods wil zou doen of niet. Hij zocht Gods wil niet alleen, Hij deed die ook. "Ik doe altijd wat Hem behaagt" (Joh.8:29). Alles wat de Vader Hem zei en van Hem vroeg, kreeg van jongs af aan een plaats in Zijn leven. Hij verstond Gods wil niet alleen met Zijn verstand. Gods wil werd leven in Zijn wezen en denken, in Zijn handel en wandel, in Zijn doen en laten.

Dit is trouwens de kern van Zijn verlossingswerk. Hij werd in alle opzichten zoals wij verzocht en kende menselijke zwakheden, maar Hij boog die alle om in overwinningen (Heb.4:15). Juist daarvoor had God Hem gezonden: om elke dag weer de macht van de zonde te veroordelen in Zichzelf (Rom.8:3). Daarin deed Hij volmaakt de wil van de Vader, dag in dag uit. Zo stelde Hij Zijn lichaam tot een levend, heilig en voor God welgevallig offer (Rom.12:1). Hij was onberispelijk in het doen van de wil van de Vader in de hemel.

Dit verborgen levensoffer kwam tot een zichtbare climax in Gethsmane. Hij zou alle gruwelijke zonden van de wereld op Zich nemen en wegdragen als een vlekkeloos Lam van God (1Pet.1:19, Joh.1:29). Wat een strijd had Hij nu te strijden! En weet u, wat ook drin Zijn diepste verlangen was? De wil van de Vader te doen. Hij "knielde neer en bad: Vader, als U wilt, neem deze beker van Mij weg, maar niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede" (Luc.22:42). Kort daarop werd Hij naar Golgotha gebracht om te worden geslacht.

Volgen wij het Lam in het doen van alles wat de Vader wil? Gaan wij de koninklijke weg van het beheersen van onze wil door de heilige Geest om Zijn wil te doen? Jezus zegt: "Wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden" (Mat.10:39). We mogen Hem volgen, onszelf verloochenen en dagelijks ons kruis opnemen (Luc.9:23). We mogen leren vasten van eigenwilligheid en eigen werk, om Gods werk te zien (Joh.5:17). Dan zullen we Hem in ons binnenste zien als de Herschepper, die ons vormt naar Zijn beeld en gelijkenis. Ja, laten ook wij met Jezus en door Hem en in Hem zeggen: "Vader, niet mijn wil, maar de Uwe ...... ".

"Ik heb voedsel, dat jullie niet kennen. Het is de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en Zijn werk voltooien" (Joh.4:32-34).

Jezus zei Zijn leerlingen, dat zij het ware brood dat Hij elke dag at, niet kenden. Het was hemelbrood, verborgen manna, op aarde onbekend en voor het verstand onbevattelijk. Dit ware voedsel is het doen van de wil van de Vader. En zoals aards voedsel nieuwe energie geeft aan je lichaam, zo geeft het doen van de wil van God nieuwe kracht aan de geestelijke mens om met Hem te leven (1Joh.2:17, Jes.40:31).

Maar wat is nu het geval? De meeste gelovigen bidden, of God met hen wil gaan. Hij moet zegenen wat zij willen. Ze vinden het doen van Zijn wil maar frustrerend en houden niet van dit hemelse voedsel. Ze eten liever troostrijke bijbelteksten en doen liever iets voor Hem. Weten ze wel, wat Hij heeft beloofd? "Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en die zal maken, dat u naar Mijn inzettingen wandelt en Mijn verordeningen onderhoudt" (Ez.36:27, vgl.Fil.2:13).

We hebben gezien, dat David dit al kende. Het was hem zoeter dan honig (1Sam.13:14, Ps.19:11). Ook Jezus deed in alles de wil van de Vader. Het was Zijn levensbrood (Joh.6:38). Dat brood des levens is dus niet kennis van de bijbel. David had geen bijbel en ook Jezus liep niet met een bijbel het land door. Natuurlijk is het heel goed om de schrift te overdenken en aan Gods wil herinnerd te worden. Maar zolang we Zijn wil niet doen, voedt het alleen ons verstand. Het voedt onze geest pas als wij Zijn wil doen.

Net als goed eten maakt gehoorzaamheid aan de Heer een christen sterker. Het is het brood van de krachtigen (Ps.78:25, letterlijk). Het is het verborgen manna dat de Zoon op aarde at en waarvoor Hij Zijn leerlingen leerde bidden: "Vader, geef ons het op ons komende brood" (Mat.6:11, epiousios: epi=op, ousios=komen). Laten dan ook wij vastberaden Zijn wil zoeken en die met blijdschap doen voor zover we die al kennen. Het is hemelbrood, verborgen manna.

"Wie de wil van de Vader doet, zal van deze leer weten of die van God komt" (Joh.7:17).

Er was onder de Joden veel twijfel over Jezus. Voor de n was Hij een verleider en een godslasteraar. Voor de ander was Hij een goed leraar en een profeet (Joh.7:12,15). Men wist eigenlijk niet wat ze van Hem moesten denken. Gewoon een mens? Een door God gezondene? (Joh.7:16). Sprak Hij nou wel of niet de waarheid?

Jezus maakt duidelijk, hoe we kunnen weten, of iemand Gods Woord spreekt of dat hij uit zichzelf spreekt. Hij verbindt twee dingen: Gods wil doen en weten. Door het doen van Gods wil gaan onze geestelijke oren en ogen open. Het levende Woord komt dan steeds rijker wonen in ons hart (vgl.Col.3:15-17). En als we dan anderen het levende Woord horen spreken, is er een heerlijke, innerlijke herkenning. Jezus zegt: "Wat ik u leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft. Als iemand Zijn wil doen wil, zal hij hiervan weten, of het van God komt, of dat Ik uit Mijzelf spreek" (Joh7:16-17).

Wie Gods wil doet, heeft de weg tot het licht gevonden! Maar wie zijn eigen ideen blijft volgen, blijft blind, zwak, ongeestelijk en onmondig in Christus (Mat.15:14, 6:23, 1Cor.3:1). De goede weg tot een krachtig, geestelijk leven is: wil met een vaste wil wat Hij wil, opdat Zijn wil kan geschieden en Zijn koningschap kan komen.

"...... wie de wil van Mijn Vader in de hemel doet, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan" (Mat.7:21).

Deze woorden worden vaak z uitgelegd: "Wie nu de wil van God doet, gaat later naar de hemel". Maar Jezus bedoelt het z: "Wie nu Gods wil doet, gaat nu hemelse sferen binnen". Hij had het Zelf zo ervaren: "Ik ben uit de hemel gekomen en als mens weer verhoogd naar de hemel. Ik ben nu van boven" (Joh.3:13, 8:23). Die weg kon Hij gaan, omdat Hij nooit Zijn eigen wil zocht, maar die van de Vader (Joh.5:30).

Zo zendt Jezus ook de Zijnen (Joh.20:21). Hij verwacht, dat ook zij van harte de wil van de Vader doen. Zo ja, dan gaat ieder van hen het Koninkrijk der hemelen binnen. Want wie Gods wil met vreugde doen, worden verhoogd tot in de tegenwoordigheid van de Vader die in de hemelen is (Ef.2:6). God is dan voortaan Koning in hun leven. Zijn koningschap komt zo op aarde, omdat in hen Zijn wil kan geschieden, net als in de hemel.

Al het andere, hoe nuttig het ook moge zijn, moet dan wel op de tweede plaats komen, ook kerkgang en ook werk voor de kerk, zelfs bijbellezen en meditatie, goeddoen, alles! Eerst de wil van de Vader. Als wij andere dingen liever doen en zeggen: "Heer, doen we niet dit en dat in uw naam?", dan antwoordt Hij: "Wat blijf je toch eigenwillig bezig! Zo werelds zakelijk en onkoninklijk! Wie Mij echt kent, die doet de wil van Mijn Vader en die zal Zijn Koninkrijk binnengaan" (Mat.7:21-23, Joh.7:7).

"...... wie de wil van Mijn Vader in de hemel doet, die is Mijn broeder en zuster en moeder" (Mat.12:50).

Jezus zegt, dat het doen van Gods wil ons tevens verenigt met Zijn hemelse geslacht. Hij en wij zijn dan samen doordrenkt van n Geest en vormen samen n nieuwe hemelse familie. We zijn dan n in Christus (=in de Geest). Het gaat hier niet om redding, maar om loskoping van de aarde tot koninklijke mensen van boven (Op.3:21, 14:1,3).

Kent u daar al iets van? Of wilt u alleen maar dat God u zegent en is uw gebed een opleggen van uw wil om uw zin te krijgen? "Heer, ik wil ... Zegen mij Heer... Geef dat ik ....". Nee, als wij christen (=gezalfde) zijn, weten wij wat Hij wil (Rom.12:2, 1Joh.2:27). Dan moeten we aan de zalving gehoorzamen, zodat die op ons kan blijven (Hand.5:32). Want om altijd Gods wil te verstaan is het nodig, dat Zijn zalving op ons blijft (1Joh.2:20).

Wat maakt ons dus n met Hem? Niet alleen het luisteren naar Zijn stem en begrijpen wat Hij wil. Zelfs niet het profeteren zoals Saul dat deed. Het doen is bepalend, het volgen (Joh.10:3-4, Op.14:4). Pas als wij ons ego laten kruisigen en Gods wil doen, zijn wij n in Christus (Gal.2:20). Zo ben je God een zoon, Jezus een broer of zus of "moeder" (Op.21:7).

Tenslotte dit: als we deze weg gaan, kan dat onze natuurlijke familie of vrienden meer kosten dan onszelf. Voor wie Hem liefheeft, is gehoorzaamheid namelijk geen opoffering meer, maar een bron van blijdschap. Maar voor anderen kan het betekenen, dat het plannen in de war stuurt, of dat men zich erdoor gekwetst voelt. Dan hoor je: "Ben jij nou een christen?" Blijven we dan bij wat de Heer vraagt? Of gaan we marchanderen om moeilijkheden te voorkomen?

Besef goed, dat God Zijn wil nooit opdringt. Hij schrijft die alleen in onze harten en dan laat Hij de keus aan ons (Jer.31:32, Joz.24:15). En het is waar: als we de wil van de Heer kennen, maar die niet doen om een ander te ontzien, kan dat even opluchten. Maar geeft het blijvende voldoening, vrede, leven? Laten we dan ook erop vertrouwen, dat Hij ook voor de anderen zorgt (1Tim.2:1). Laten we hen zegenen in Zijn naam (Deut.10:8b). Blijf zelf de Vader eenvoudig gehoorzamen. Blijf in de geest voor Hem staan om Hem te dienen (Deut.10:8a).

Z was Jezus' houding, ook ten opzichte van Zijn moeder. Hij gaf alles over aan de Vader, ook haar. Hij wist, dat door Zijn gehoorzaamheid er een zwaard zou gaan door haar ziel (Luc.2:35). Ook hier goot Hij Zijn ziel met alle gevoelens uit in de dood (Jes.53:12). Ook wij mogen, "als wij naar de wil van God lijden, onze zielse gevoelens aan de trouwe Schepper overgeven en steeds het goede doen" (1Pet.4:19).

God gaf Saul een ander hart, maar hij liet Gods wil er niet in schrijven (1Sam.10:9). Salomo's hart werd "meegevoerd achter andere goden aan, zodat het de Heer niet volkomen was toegewijd zoals dat van zijn vader David" (1Kon.11:4). Jezus zei: "Vader, hier ben ik om van harte Uw wil te doen. Niet Mijn wil maar de Uwe geschiede. Dt is Mijn verlangen, Mijn leven" (vgl. Ps.40:8-9).

Laten nu wij ons met volle overtuiging en van harte houden aan alles wat God wil (Col.4:12, Ef.6:6b). Dan geeft Hij Zijn Geest niet mondjesmaat, maar als stortregens (Joh.3:34). Hij doordrenkt ons dan van een geest van gebed, die zowel het willen als het werken in ons bewerkt (Fil.2:13). Dan komt Zijn koningschap in ons en wordt door ons Zijn wil gedaan op aarde, zoals in de hemel .......


Home page