Home page



Zijn
komst
in de feesten



"Nader tot God,
en Hij zal tot u naderen" (Jac.4:8).

"Driemaal per jaar
zal ieder onder u van het mannelijk geslacht
voor uw God verschijnen op de plaats die Hij verkiezen zal:
op het pascha, op het feest der weken en op het loofhuttenfeest" (Deut.16:16).


INLEIDING

De feesten van de Heer worden uitvoerig beschreven in Leviticus en Deuteronomium. Het zijn schitterende typen van Gods plan met Zijn volk: van uitgang (uit "Egypte") tot ingang (in "Kanašn"). Tijdens deze drie jaarlijkse feesttijden moest ieder van het mannelijk geslacht voor God verschijnen (Deut.16:16). Het "vieren" ervan typeert namelijk de weg tot mannelijke rijpheid, tot in de volheid van Christus (Ef.4:13).

De jaarlijkse cyclus ziet er als volgt uit:

1. Het pascha in de eerste maand (Ex.12:1-23, Lev.23:4-5).

2. Het pinksterfeest in de derde maand (Lev.23:15-21, Deut.16:9-12).

3. Het loofhuttenfeest in de zevende maand (Ex.23:16, Lev.23:34-44).

Al deze feesttijden kunnen nu vervuld worden in ons, als wij een kind van God zijn. Daarom zullen we nagaan, hoe wij drie keer voor Gods aangezicht moeten verschijnen en hoe Hij dan steeds nader tot ons komt op een nieuwe (=geestelijke) wijze. "Nader tot God en Hij zal tot u naderen" (Jac.4:8). Naarmate wij de geestelijke betekenis van de feesten van de Heer gaan zien, wordt Zijn komst en nabijheid ook voor ons steeds reŽler.


PASCHA
De komst van God over Zijn volk

Bij de uittocht uit Egypte stelde God het pascha in om Zijn volk te vrijwaren van de laatste plaag en om het te verlossen van de onderdrukking in dat land (Ex.12:13b en 3:7-8). Men moest een lam slachten, het eten en het bloed ervan op de deurposten van hun huis aanbrengen. Het was voor hen een nieuw begin (Ex.12:1).

Nu staan wij aan een nieuw begin, als wij worden opgeroepen het ware paaslam, Jezus, te eten en Zijn bloed aan te wenden (Joh.6:35-40, 1Cor.5:7). Dan begint onze uitgang (vgl. Ps.121:8). Dan kunnen we rekenen op Zijn komst nu, op Zijn zegenende aanwezigheid (Ex.12:13). Want wat gebeurde er, toen IsraŽl het eerste pascha vierde? Het bloed van het lam zou hun dienen als een teken aan hun huizen en als God dat zou zien, dan zou Hij over hen komen (Ex.12:13).

In de NBG-vertaling staat: "Wanneer Ik het zie, dan ga Ik u voorbij". Nee, God ging die huizen niet voorbij. Hij stelde Zich juist beschermend op over die huizen. Er staat: "Als Hij het bloed ziet, dan zal de Heer opspringen (Hebreeuws: paÁach) en de verderver niet toelaten om in die huizen te komen" (Ex.12:23). En als later "uw zonen tot u zeggen: Wat betekent dit paschalam? Dan zullen jullie zeggen: Het is het offer van de HERE, dat Zich in Egypte over de huizen der IsraŽlieten stelde (letterlijk vertaald), toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde" (Ex.12:26-27).

In die huizen gold: "Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, vernacht in de schaduw van de Almachtige. Met Zijn vleugels beschermt Hij u en vindt u een toevlucht. Zijn trouw is schild en pantser. Geen onheil zal u treffen en geen plaag zal uw tent naderen" (uit Ps.91:1-10).

Nu kunnen wij verlost worden van "Egypte" (=het "vleselijke") door het pascha nieuw te vieren. Jezus is het ware Lam van God (Joh.1:29). Hij is het paaslam, dat voor ons is geslacht (1Cor.5:7). Door Hem te eten en Zijn bloed aan te wenden worden wij verlost van "Egypte" om de levende God te dienen (Joh.6:51-55).

Vůůr het pascha kon "farao" nog "zoontjes" laten verdrinken in het "water" van "Egypte" (Ex.2). Maar wie pascha viert in geest en waarheid, wordt onaantastbaar. Ons paschalam zegt: "Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken" (Joh.6:54). Nu! In het eeuwige heden.

Dat is de opwekking die Gods volk nodig heeft. Het "vieren" van het pascha in geest en waarheid is daarvan het "nieuwe" begin.


PINKSTEREN
Zijn komst in de eerstelingen

Een volgende mijlpaal op de weg tot zoonschap is de tweede feesttijd van de Heer, pinksteren, ook wel het feest van de eerstelingen genoemd (Ex.23:16).

Vijftig dagen na de uittocht uit Egypte bereikte IsraŽl de berg SinaÔ. Daar zagen ze een komst van de Heer, zoals ze die nog niet eerder hadden meegemaakt (Ex.19-23): "De HERE daalde op de berg neer in vuur" (Ex.19:18-20).

Op die berg kreeg Mozes aanwijzingen hoe hij een woonplaats voor Hem moest laten maken, een mobiele tabernakel waarin Hij kon wonen "in hun midden" tijdens de "reis" naar "het beloofde land" (Ex.25:8). Elk jaar, in de derde maand, moest dit worden herdacht.

Vijftienhonderd jaar later gebeurde er na zo'n jaarlijkse herdenking iets bijzonders. Aan het eind van de pinksterdag waren er 120 discipelen bijeen en plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en zagen ze tongen als van vuur, die neerkwamen op ieder van hen. Zij werden allemaal een woonplaats voor God. Ze werden allemaal vervuld met Gods Geest" (Hand.2:1).

Hoe is nu onze situatie? Dat hangt ervan af. Als wij (nog) geen pascha vieren, zijn we geestelijk nog in "Egypte". Wie dat wel doet, wordt uitgeleid uit het "Egyptische" denken en handelen. En als we dan ook nog gedoopt worden met de heilige Geest (=pinksteren beleven), komt Hij in ons wonen. Dan gaat Hij ons een nieuw hart geven en een nieuwe geest in ons binnenste. "Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat u naar Mijn inzettingen wandelt en Mijn verordeningen onderhoudt" (Ez.36:25-27).

We zien de vervulling met Gods Geest het eerst in Jezus volledig bewaarheid. Gods ganse volheid kon in Hem woning maken (Col.1:19). Hij openbaarde Gods kracht (Joh.12:38), Zijn naam (=Zijn wezen, Joh.17:6), Zijn liefde (1Joh.4:9).

En nu doopt de verheerlijkte Jezus de Zijnen met de heilige Geest, opdat ook zij een heiligdom mogen zijn, waarin God kan wonen (Joh.1:33, 1Cor.3:16,17, 6;19). Door Zijn Geest worden ze volledig "vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van de Schepper" (Col.3:10, vgl.1Cor.1:30).

Dat vernieuwd worden gaat niet zo maar, ineens, in een oogwenk. Na een markant begin met o.a. tongentaal is de praktische uitwerking ervan een groeiproces, een opstandingsproces, dat het eerst zal worden voltooid in eerstelingen (vgl. Ef.4:13-16).

Want pinksteren is het feest van eerstelingen (Ex.34:22, Lev.23:20). Jezus koos Zijn discipelen als eerstelingen, twaalf in getal (Marc.3:13-16). Ze zouden de hemel zien opengaan en de dood niet smaken, voordat ze het Koninkrijk Gods zouden zien komen met kracht (Joh.1:52, Marc.9:1). En op de pinksterdag in Handelingen 2 waren het er "120" (Hand.1:15). En als de volheid van dat feest aanbreekt, zullen het er "144.000" zijn, allemaal "gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en voor het Lam" (Op.14:4).

Wat zijn eerstelingen? Ze zijn van nature niet beter dan anderen, maar door genade eerder geestelijk volwassen, eerder rijp dan de volle oogst, als eersten geheel losgekocht van de aarde (Op.14:1-5). Ze worden ook wel Jezus' loon genoemd. "Zie, uw heil komt; Zijn loon is bij Hem. Men zal hen noemen: Het heilige Volk, De Verlosten van de Heer" (Jes.62:11, vgl.Op.22:12). Het zijn er "144.000".

Moeten we dat getal letterlijk nemen, zoals de Jehova's getuigen dat doen? Nee, het gaat om de geestelijke betekenis ervan. 144.000="12x12x10x10x10".

Waar wijst het getal "12" op? God koos de 12 stammen van IsraŽl om hen te "stellen tot een licht der volken" (Jes.49:6). Jezus koos 12 discipelen om met Hem op Zijn troon te zitten (Mat.19:48). De "Bruid" van Christus, Gods ware volk, zien we als een hemels Jeruzalem met 12 fundamenten en 12 poorten (Op.21:12,14,19,21). Het volk IsraŽl, de 12 discipelen, de 120, de 144.000, het hemelse Jeruzalem zijn allemaal uitgekozen voor een bijzondere taak: voor koninklijk priesterschap. Dat is de betekenis van "12".

De 144.000 worden "in het huis van de Heer gebracht" als "eerstelingen voor de Heer" (Ex.34:26,Lev.23:17). Mozes was daarvan een duidelijke typering. Hij sprak met God van aangezicht tot aangezicht op de berg en in de tent der samenkomst (Ex.19:18-2033:7-11). Dat de Heer Jezus Eersteling was die "op de berg" en "in het verborgene" de Vader zag van aangezicht tot aangezicht, is voor iedereen duidelijk. En de "144.000" eerstelingen? Johannes ziet hen staan op de berg Sion bij het Lam (Op.14:1). Ze hebben Hem gevolgd, waar Hij ook heenging (vgl.Op.14:4). Dat is tot "op de berg", tot "op Gods troon" (Op.3:21), tot "in het huis van de Vader" (Joh.14:2).

Eens zei Jezus tot de "12": "Ik ga tot de Vader" (Joh.14:12). "En als Ik voor jullie plaats heb bereid, kom Ik weer en zal jullie tot Mij nemen, opdat ook jullie mogen zijn, waar Ik ben" (Joh.14:3). Wisten zij en weten wij eigenlijk wel, wat Hij bedoelde? Waar ging Hij heen? Waar was Zijn Vader?

Jezus sprak daarover met een Samaritaanse vrouw, toen ze Hem ernaar vroeg (Joh.4:1-42). Waar woont de Vader? En waar moet je Hem aanbidden en dienen? (Joh.4:20-21). En toen antwoordde Hij haar: "God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten dat doen in geest en in waarheid" (Joh.4:21-24). God woont niet hier of daar (Joh.4:20). Hij is niet aan plaats of tijd gebonden. Hij is "de onvergankelijke, onzienlijke, enige God" (1Tim.1:17). Hij is de alomtegenwoordige Geest (Grieks: pneuma=geest, adem, wind). Ik ga tot de Vader" betekent: "Ik word Geest". De "Ik ben de Waarheid" (Joh.14:6) zou worden "de Geest der waarheid".

Kort voor Zijn lijden en verheerlijking, zei Jezus tot Zijn discipelen: "De wereld kan de Geest der waarheid niet ontvangen, want ze ziet Hem niet en kent Hem niet. Maar jullie kennen Hem wel! Hij zal bij jullie blijven en in jullie zijn. Ik zal jullie niet als wezen achterlaten: Ik kom tot jullie" (Joh.14:17-18).

Zijn hemelvaart was dus geen vertrek, maar een verandering! Hij ging niet weg, maar Hij "ging tot de Vader" (Joh.14:28). Hij deed dat om niet meer lichamelijk bij enkele discipelen te zijn, maar voortaan in al Zijn discipelen, als God, die Geest is (Joh.4:24). Hij had zelfs tot Zijn discipelen gezegd: "Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen" (Joh.14:23).

Dus als Jezus ons geestelijk heeft toebereid door ons te dopen met de heilige Geest, zullen ook wij zijn, waar Hij is (vgl.Joh.14:2-3): in de Geest. Dan worden wij een woonplaats van God onder de mensen, ťťn van de vele "woningen" van de Vader (vgl.Joh.14:2-3). "Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont, die u van God ontvangen hebt, en dat u dan niet van uzelf bent?" (1Cor.6:19). Wij zijn dan het huis van de Vader!

De woningen (Grieks: verblijfplaatsen) in het huis van de Vader zijn dus geen luxe villa's waar wij later in zullen wonen boven de blauwe lucht. Nee, die "woningen" zijn wij, mensen zoals u en ik, waarin God nu wil wonen. We hebben de zaak altijd omgedraaid: het gaat niet om een huis, waarin wij zullen wonen, maar om een huis, waar de Vader in kan wonen.

Hoe vieren we nu pinksteren nieuw? Het is het volledig toelaten van Gods Geest in je leven. "Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen", als "levendmakende Geest" (1Cor.15:45).

Maar helaas! Er zijn zůveel gelovigen, die alleen maar kerkelijke feesten vieren. Ze gaan helemaal voorbij aan de feesttijden van de Heer. Ze vieren niet eens het pascha op de "nieuwe" (=geestelijke) wijze en ervaren daarom niets van de komst van de Almachtige over hen. De meesten van ons vieren ook geen persoonlijk pinksteren en ervaren dan ook niet, dat de Geest van de Vader en van de Zoon in hen is komen wonen. Hij kan dan ook Zijn wetten niet in hun verstand leggen en in hun hart schrijven. Ze willen niets weten van de komst van de Heer nu. Ze hebben gehoord van Jezus, zoals Hij was en volgen spectaculaire fantasieŽn over Zijn wederkomst later. Ja later. En daar is weinig geloof voor nodig. Want geloven dat Hij nu komt in je hart als levendmakende Geest en dat Hij je gaat vernieuwen, dat is wat anders. Komt de Heer dan niet later? Natuurlijk wel! "Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt" (Op.4:8).

Bijna alle christenen denken aan Jezus zoals Hij 2000 jaar geleden was. Ze geloven in Hem, hebben Hem lief en zien uit naar Zijn "wederkomst" later. Maar je moet Hem nu en dagelijks toelaten als levendmakende Geest. Dan "zal je kracht ontvangen" (Hand.1:8). En "Gods Geest zal in je zijn" (Joh.14:17). En dat is beter!

Want Jezus had tegen Zijn discipelen gezegd: "Het is beter voor jullie, dat Ik heenga. Want als Ik niet heenga, kan de Trooster (=de Geest) niet tot jullie komen" (Joh.16:7). Het woord beter in het Grieks is sumphero en het impliceert de gedachte van voordeel, winst. Hoe goed is het te weten wie Hij was. Hoe goed is het, om bij Jezus te zijn. Maar het is oneindig veel beter om Hem in je te ervaren. Jezus was bij de discipelen geweest, maar met pinksteren kwam Hij in hen, als Geest der Waarheid.

Jezus is dus niet weg. Hij zei: "Ik ga tot de Vader" ťn "Ik ben met jullie alle dagen" (Joh.14:12, Mat.28:20). Bij Zijn hemelvaart werd Hij onttrokken aan de ogen van Zijn discipelen, om Zich te kunnen geven in ieders binnenste. God in het vlees maakte plaats voor God in de geest. Het eerste werd opgeheven om het tweede te laten gelden (Heb.10:9). Ze moesten het doen zonder de Heer die ze jaren gekend hadden, om de verheerlijkte Jezus als Geest te kunnen ontvangen. Wie Hij was maakte plaats voor wie Hij is.

Datzelfde moet ook in ons gebeuren. We hebben geleerd op de zondagsschool, in het christelijk onderwijs, in de kerk, op catechisatie, in opwekkingskringen, enz. enz., wie Jezus was. Dat was goed. Maar het is nog beter om Hem in ons te laten komen en Hem te leren kennen zoals Hij is: levendmakende Geest. Daarom is het zo goed ons af te vragen, hoe wij Hem kennen! Met ons verstand, naar het vlees, zoals Hij was, toen? Of leren we Hem kennen, zoals Hij is, nu, dagelijks? (vgl. Ef.1:17, Fil.3:10).

De 144.000 eerstelingen voor God en voor het Lam zullen Hem als eersten "zien (=kennen) gelijk Hij is" (1Joh.3:2). Op hun voorhoofden (in hun denken) is Jezus' naam en de naam van de Vader geschreven (Op.14:1). Ze zingen een nieuw gezang, voor de troon (Op.14:3). Ze zijn losgekocht van de aarde (Op.14:3b). Het zijn "zonen van olie", "olijftakken", die "goud" uit zich doen vloeien (Zach.4:11-12).

Wat een verschil, als we dat vergelijken met het innerlijk van de niet verloste mens."Uit zijn hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen", zegt Jezus (Mat.15:19). Het komt van binnenuit, niet van buitenaf. En daarom is er een innerlijke verandering nodig door bekering (=anders denken) en door het ontvangen van geestelijke kracht (=de doop in de heilige Geest, Hand.1:8).

Dan worden we van binnenuit vernieuwd en worden we "Zijn maaksel, in Christus Jezus geschapen om de goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat we daarin zouden wandelen" (Ef.2:10). Zo worden wij die het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, beelddragers van de hemelse, geheel van God vervuld (1Cor.15:49, Ef.3:19, Fil.1:9-11). Zo worden we in Christus meegebouwd tot een woonplaats voor God in de Geest" (Ef.2:22).


LOOFHUTTEN
De komst van de Heer in Zijn gehele volk

Alle feesttijden van de Heer hadden te maken met "de opbrengst van het land". Bij het pascha ging het om een "eerstelingsgarve". Bij pinksteren ging het om de gerstoogst en werden er van de eerstelingen "twee" "nieuwe" "broden" "gebakken". En voor de IsraŽlieten was het loofhuttenfeest het feest van de volle oogst aan het einde van het jaar (Ex.23:16).

Het land, dat goede vruchten zal voortbrengen is Gods volk. Het Woord Gods wordt in gelovigen gezaaid (Marc.4:1-20). "De Vader is de landman" (Joh.15:1). "Gods akker bent u" (1Cor.3:9). En de "goede vruchten" zijn "liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing" (Gal.5:22).

Als we het hebben over zaaien, opkomen en vruchtdragen, moeten we denken aan een groei- en opstandingsproces, dat ook wel genoemd wordt opwekking ten leven, of verlossing van het lichaam. Iedereen komt tot opstanding, maar ieder op zijn beurt, ieder op de voor hem bepaalde tijd (1Cor.15:23).

Eerst "Christus, de Eersteling" (1Cor.15:23). God zond Hem, "toen de volheid des tijds gekomen was" (Gal.4:4). "Als een loot schoot hij op voor Gods aangezicht, als een wortel uit dorre aarde" (Jes.53:2). Hij was de eerste die opstond vanuit de levend-doden om Hem heen en die "van boven" werd (Joh.8:23). De Vader gaf Hem macht over alle vlees, over alle menselijke instincten (Joh.17:2). Zo kon in Hem de volheid van God lichamelijk wonen (Col.2:9).

Vervolgens komen, als climax van pinksteren, de 144.000 eerstelingen tot zoonschap. Zij volgen het Lam en komen met Hem op Sion te staan (Op.14:1). Ze zijn "met Christus, in Zijn tegenwoordigheid" (1Cor.15:23, letterlijk vertaald). "Wanneer Hij verschijnt, zullen ook zij met Hem verschijnen in heerlijkheid" (Col.3:4). Dan wordt het Hoofd openbaar ťn de leden van Zijn lichaam. Jezus komt namelijk als Heer der heren, als Koning van de koningen, als Hogepriester met Zijn priesters. Dat is niet alleen de climax van pinksteren, maar tevens het begin van het loofhuttenfeest. Alle dingen worden dan hersteld (vgl. Rom.8:18-30). Er staat: "Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen" (Hand.3:21).

"Tot die verschijning van onze Here Jezus Christus" moeten wij "de goede strijd van het geloof strijden", "God dienen en uit de hemelen Zijn Zoon verwachten" (1Tim.6:12, 14, 1Thes.1:9-10). We moeten uitzien naar Zijn komst en "de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland" verwachten (Titus 2:13).

In het verleden is ons geleerd om naar Jezus' latere "wederkomst" (een woord, dat overigens in de bijbel niet voorkomt) uit te zien. Maar de verheerlijkte Zoon des mensen is nu al komende in de Zijnen. Hij is komende als Hoofd van een samengesteld lichaam.

En Hij zal komen "van de hemel met de engelen (boodschappers, gezanten=zonen Gods) van Zijn kracht" (2Thes.1:7). "Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn" (2Thes.1:10). Eerst in Zijn heiligen, de 144.000. En dan ....

Dan in allen, die tot geloof gekomen zijn. Dan wordt het hele volk van God ťťn grote tempel (Op.19:8, 21:11,22,23), "vervuld met Hem, die alles in allen heeft volmaakt" (Ef.1:23). Dan is het loofhuttenfeest aangebroken! Dan ontvangt God de volle oogst van Zijn "land". "Heb dus geduld, broeders, tot de komst van de Heer! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht van het land en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefen geduld, sterk uw harten, want de komst van de Heer is nabij" (Jac.5:7-8).

Als Hij verschijnt met de Zijnen, wordt de Gemeente (ekklesia) gemaakt tot een eerstelingsvolk. Ze wordt het eerste volk, dat bevrijd wordt "van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods" (Rom.8:21). Dat volk is niet aards of aardsgezind, maar "van boven", geheel bij God, bij Christus, in de Geest (Joh.14:3). Zij straalt een geweldig licht uit, dat lijkt "op een zeer kostbaar gesteente, als van kristalheldere diamanten" (Op.21:11). Wat een oogst! Ja, Zijn volheid komt, in "allen die tot geloof gekomen zijn" (2Thes.1:10). In de gehele ekklesia! Wat een feest!


HET EINDDOEL

Wat een hoop voor Gods volk: Zijn komst van pascha tot loofhutten! Maar ook daar blijft het niet bij. Gods plan reikt nůg verder.

Want bij het licht van het eerstelingsvolk, het hemelse Jeruzalem, de Bruid, zullen namelijk ook de volken wandelen, op hun beurt (Op.21:24). Ze zullen zeggen: "Kom, laten we opgaan naar de berg van de Heer, opdat Hij ons kan leren aangaande Zijn wegen en opdat we Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de Heer uit Jeruzalem" (Micha 4:2).

"Haar poorten zullen nooit gesloten worden" (Op.21:24-25). Want God had gezegd: "Het is te gering, dat u Mij tot een knecht zou zijn om de stammen van Jakob weer op te richten en de bewaarden van IsraŽl terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat Mijn heil reike tot het einde van de aarde" (Jes.49:6). Alle volken zullen na de komst van de volheid van Christus en de openbaring van het hemelse Jeruzalem worden gericht. Alles zal worden rechtgezet. Iedereen zal gerechtigheid leren. Want "wanneer Gods gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners van de wereld gerechtigheid" (Jes.26:9).

"God zij ons genadig en zegene ons. Hij doe Zijn aanschijn bij ons lichten, opdat men op aarde Uw weg kenne, onder alle volken Uw heil. Dat de volken U loven, dat ze zich verheugen en jubelen, omdat U hen in rechtmatigheid gaat richten en hen op de aarde gaat leiden. De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons. God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem zouden vrezen" (Ps.67:2-8). "Wie zou U niet vrezen en Uw naam niet verheerlijken? Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden" (Op.15:4). "Alle volken zullen van jaar tot jaar optrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de Heer der heerscharen om het loofhuttenfeest te vieren" (Zach.14:16).

Hoe ongelooflijk het ook klinkt: Gods doel reikt nůg verder. "De ganse schepping (kosmos) zal ook "bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods" (Rom.8:19-21). Als dat gebeurt, is "het einde gekomen, wanneer Jezus het koningschap aan God de Vader overdraagt en Hij alle heerschappij en alle macht en kracht onttroond zal hebben" (1Cor.15:23-25). Dan zijn alle dingen nieuw gemaakt (vgl.Op.21:5).

Dat is niet het einde in de betekenis van: nu houdt alles op! Paulus gebruikt het Griekse woord telos (=resultaat, doel; van het werkwoord tello=toewerken naar een doel). Dan is het einddoel bereikt! Dan is God alles in allen (1Cor.15:28). Alles in allen! De nieuwe schepping voltooid!

Vervuld is dan: "Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; aan wat vroeger was, zal niet meer gedacht worden" (Jes.65:17). Dan is er "een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want dan zijn de eerste hemel en de eerste aarde voorbijgegaan en dan zal de 'zee' niet meer zijn" (Op.21:1). En deze "nieuwe hemel en nieuwe aarde, die Ik maken zal, zullen voor Mijn aangezicht blijven bestaan, luidt het woord van de Heer" (Jes.66:22). Dan zijn "uit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen" (Rom.11:33-36). Amen!


Home page