Home page



Brood
en wijn



"Dit is het nieuwe verbond met Mijn bloed"
(1Cor.12:25).


INLEIDING

Christenen komen regelmatig samen voor de maaltijd van de Heer (vgl.1Cor.11:20). Dit eten van de Heer noemen katholieken een eucharistieviering en protestanten een avondmaalsviering. Men beschouwt de ceremonie als iets heiligs, als een sacrament. En bijna iedereen denkt, dat Jezus deze rite met brood en wijn instelde. Is dat wel zo? Waar dacht Hij aan?


PASCHA,
het nieuwe begin

De oorsprong van het eten van de Heer ligt in de pascha-maaltijd van het oude verbond. Men at toen overal in Israël een lam met ongezuurd brood. Pascha was de feestdag waarop ieder de verlossing uit Egypte herdacht (Ex.13:3, Deut.16:3). Het was hun bevrijdingsdag. En toen Jezus voor het laatst met Zijn leerlingen de bevrijding van toen herdacht, begon Hij over een nieuwe bevrijding, de waarlijke vrijmaking door Hem.

Eerst iets over de bevrijding van toen. In Egypte was Israël tot slavernij gebracht en toen God het hulpgeroep van Zijn volk hoorde, beloofde Hij het te brengen naar een beter land. Na tien vreselijke plagen liet farao de Israëlieten eindelijk gaan (Ex.7-12). Vlak vóór de exodus moest in ieder huis een lam geslacht worden, het bloed ervan aan de deurposten gestreken worden en het gegeten worden met ongezuurd brood (Ex.12). Toen kon de reis beginnen naar het beloofde land. Wat een dag!

Natuurlijk moest die dag niet vergeten worden. "Blijf dit gedenken", zei Mozes (Ex.13:3,5,8-10). "En als één van uw kinderen later vraagt: "Waarom doen wij dit?", zeg dan: "Omdat de Heer ons met krachtige hand bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte" (Ex.13:14).

Nu wij. We weten, dat het lam dat toen geslacht moest worden, wijst op ons pascha-lam, Jezus (1Cor.5:7). Het moest toen gaaf, mannelijk en volgroeid zijn, een zuiver beeld van ons paaslam (Ex.12:5, Joh.1:29, vgl. 1Pet.1:18-19). Maar waar wijst "Egypte" op?

Egypte symboliseert het ziels-vleselijke in ons, dat God vijandig gezind is. Zoals farao zich opstelde tegenover de God van Mozes, zo gaat het begeren van het vlees in tegen de Geest. Ze staan lijnrecht tegenover elkaar (Gal.5:17).

Waar het bij de uittocht uit Egypte om gaat, zegt God heel nadrukkelijk: "Laat Mijn Zoon gaan, om Mij te dienen". Het gaat dus niet om redding en verlossing van "slavernij" alleen, maar om als zoon, als geestelijk volwassene, de Heer te gaan dienen. God roept Zijn Zoon uit "Egypte" (vgl.Mat.2:15, Op.11:8).

Willen wij van "farao's slavenjuk" in "Egypte" verlost worden om de wil van de Vader te doen en Hem te dienen? Dan moeten wij nu het "bloed" van ons paschalam aanwenden en Zijn "vlees" eten met "ongezuurd brood".


HET PASCHA-LAM

Er werd dus een lam geslacht (Ex.12:6). Wat voor offer was dat? Want er waren tal van offers: brandoffers wijzen op Jezus' vrijwillige opoffering (Lev.1), spijsoffers op Zijn wijze van leven (Lev.2). Er zijn dankoffers en vredeoffers, allemaal offers die voor God een liefelijke reuk waren (Lev.1:9, 2:2, 3:5). Daarnaast zijn er ook zondoffers en schuldoffers (Lev.4 en 5).

Men denkt vaak, dat het pascha-lam een zondoffer was, omdat er staat, dat Jezus het Lam Gods is, dat de zonden van de wereld wegneemt (Joh.1:29, Hebr.9:26, Rom.3:25). Maar bij het pascha gaat het helemaal niet om vergeving van zonden, maar om verlossing uit "Egypte".

Zondoffers werden gebracht in de tabernakel, en later in de tempel. Maar het bloed van het pascha-lam streek ieder aan zijn eigen deur. Men at het lam in zijn eigen huis, opdat men zou worden bevrijd en de eerstgeborene zou leven (Ex.12:7). Het gaat hier om de weg van zoonschap.

De eerste, die door de Vader volledig uit "Egypte" werd geroepen was Jezus van Nazareth (Mat.2:15). Hij kreeg macht over al het vleselijk-zielse van het mens-zijn (Joh.17:2). Hij baande de weg en is nu de Weg (Joh.14:6). Nu verlost Hij iedereen, die "Zijn vlees eet" en "Zijn bloed drinkt" van elke vorm van "Egyptische" slavernij, om de Vader te kunnen dien in geest en in waarheid (Ex.4:22-23, vgl. Op.14:1-5, Rom.7:24).


ONGEZUURD BROOD

Met het pascha begon ook het feest van het ongezuurde brood (Ex.12:17). Jezus zegt nadrukkelijk, dat Zijn discipelen voor dát brood zó moesten bidden: "Vader, geef ons heden ons dagelijks brood" (Mat.6:11). In het Grieks staat epiousios brood, epi (=op), ousios (=komend). Hij zegt niet, dat wij moeten bidden om brood van de bakker, maar om het brood van boven, in ons hart. Jezus zegt: "Dat brood ben Ik" (Joh.6:50-51).

Over de betekenis van gezuurd of ongezuurd is Paulus duidelijk: "Ook ons pascha-lam is geslacht: Christus. Laten wij feest vieren, niet met oud zuurdeeg, of met zuurdeeg van slechtheid en boosheid (Grieks: poneria=laagheid), maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid" (1Cor.5:6-8). Oud zuurdeeg is aardsgerichte godsdienstigheid, dat waarde toekent aan oudtestamentische rites. En dat hoort niet in het nieuwe verbond. Zo iets is laag, niet uit God, zegt Paulus (Gal.5:8-9). Zo is ook het zuurdeeg van Sadduceeën en van de Farizeeën (Luc.12:1). Hun zuurdesem was hun huichelarij (Mat.23:3).

In alle haast bakten de Israëlieten dus ongezuurd brood en namen dat mee op reis (Ex.12:8, 15, 34). Ze mochten het dus niet eerst laten gisten met oud zuurdeeg. Kijk, dat is nu precies, wat iedere volgeling van Jezus zou moeten doen: meteen op reis gaan en nieuw eten. "Doe het oude zuurdeeg weg" (1Cor.5:7). Verlossing van Egypte komt alleen als we elke lage interpretatie en gewoonte achterlaten en voortaan alleen het ongezuurde brood van reinheid en waarheid eten. God geeft het nieuw, als brood uit de hemel, elke dag (Joh.6:51).

God bepaalde dus toen, dat men het lam moest eten met ongezuurd brood. En nu zegt Jezus: "Wie Mij eet, heeft leven en hem zal Ik opwekken" (Joh.6:54-55). Wat wordt het leven dan een feest! Dan ervaren we opwekking, opstanding, leven in geest en waarheid.


JEZUS' VERLANGEN
naar Zijn laatste pascha

Op de avond van het pascha werd er overal in Jeruzalem de pascha-maaltijd gebruikt met o.a. brood en wijn. Voor Jezus zou het de laatste keer zijn.

Hij zei: "Ik heb vurig begeerd dit pascha met jullie te eten, eer Ik moet lijden" (Luc.22:15). Waarom? Omdat Hij Zijn vlees en bloed zou geven als vervulling van het oude pascha. "Doe dit tot Mijn gedachtenis. Denk niet meer alleen aan de verlossing uit Egypte van toen, maar denk vanaf nu aan Mij. Ik maak vrij van "Egypte", door Mijn vlees en door Mijn bloed (vgl. Joh.8:36).

Hij verhoogde de oude rite voor Zijn discipelen dus tot een nieuwe, persoonlijke actualiteit. "Hij nam een brood, dankte en brak het, gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt. En deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed voor jullie. Denk voortaan aan Mij" (Luc.22:19-20).

Wat moeten de discipelen toen gedacht hebben? "Vindt Hij nu de bevrijding van toen uit Egypte dan niet belangrijk meer? Is dit wel waar? God droeg ons toch op het pascha te vieren!" Natuurlijk wisten ze in hun hart, dat het waar wás! Hij was de Messias, de Christus, de Zoon van de levende God (Mat.16:16). Ze ervoeren, dat Hij de ceremonie zinvol maakte met woorden van eeuwig leven! (vgl. Joh.6:68). Hij gaf er inhoud aan!

Jezus stelde dus geen nieuwe ceremonie in, zoals vaak wordt gedacht en wat de NBG-vertaling suggereert met opschriften als "De instelling van het avondmaal" (Mat.26:26). Het was niet Zijn bedoeling om Joodse rituelen te vervangen door christelijke. Hij deed iets veel belangrijkers: Hij gaf Joods-wettische riten en gebruiken betekenis.

Israël herdacht met uiterlijke tekenen de bevrijding uit een aards land, Egypte. Nu bevrijdt Jezus uit het domein van het vlees, uit "Egypte", uit het "lichaam van deze dood" (Rom.7:24). Hij zei: "Ik ben nu jullie pascha-lam. Vanaf nu moeten jullie Mij eten en Mijn bloed drinken. Hoe? "Nieuw!" Doen we dat, dan worden ook wij vrij van de slavernij van het vlees, nu. Dan gaat na het "oude" het "nieuwe" verbond gelden, met de belofte wij zullen worden gebracht in ons land dat vloeit van melk en honing. Dat is het koninkrijk van God, hier op aarde (Mat.6:10).


NATUURLIJK EN GEESTELIJK

De Joden van toen dachten, dat Jezus hun religie ondermijnde. Maar kwam Hij niet met iets beters? Hij gaf immers voor de schaduw de realiteit! Een schaduw is twee-dimensionaal, laag, plat, doods, net als foto's. Op een foto kun je zien, hoe iemand eruit ziet. Het is maar een plaatje van de drie-dimensionale persoon. Zo verhoudt zich ook het oude verbond tot het nieuwe. Het oude is volmaakt in het afschaduwen van het nieuwe, als een fotoalbum (Hebr.10:1). Jezus maakt alle "oude" wetten en riten, ja alle dingen "nieuw" (1Cor.15:46, 2Cor.4:18, Op.21:5).

Zo verhouden de uiterlijke tekenen van brood en wijn zich tot het eten van de Heer. Het eerste is "oud", het "eten van de Heer" is "nieuw". En voor wie in nieuwheid leert leven, heft Hij het oude op, om het nieuwe steeds reëler te maken (Rom.6:4, Hebr.10:9).

Vaak lezen we, dat men Jezus niet begreep (Joh.10:6). Dat kwam niet, omdat Hij niet goed onder woorden kon brengen wat Hij bedoelde. Het kwam, omdat Hij anders was, van boven. Zijn toehoorders waren van beneden, in Joods-religieuze schaduwen, maar Hij was met Zijn geest in het hemelse (Joh.8:23). Zij putten uit de wet en menselijke traditie, Hij uit God. Zij verlangden Israels bevrijding van de Romeinen, maar Hij verlost van "Egypte". Hun ogen zagen de pracht van de tempel van steen, maar Jezus zag dat de Vader wilde wonen in mensen (Mat.24:1, Joh.14:2). Dus om Hem te kunnen volgen, moet je je hoofd opheffen en denken zoals Hij dat deed: aan de dingen die boven zijn (Psalm 24, Col.3:2).


TRADITIE EN WAARHEID

Israël verwierp Jezus en Zijn boodschap. De Zijnen namen Hem niet aan. Ze hadden liever de zichtbare tradities uit de wet van Mozes dan de geestelijke vervulling ervan. Dat was de hoofdoorzaak, waarom ze Hem eenvoudig niet kónden begrijpen!

Als wij denken, dat wij wijzer of nederiger zijn dan de Joden in de tijd van Jezus, maken wij een grote fout. Het is echt niet zo bijzonder, als wij geloven dat Hij de Messias was: het is ons immers al eeuwen lang gepredikt. Maar wij kunnen dat geloven én ons toch hardnekkig houden aan het oude. Dan zeggen ook wij, als blinde kenners van de bijbel: "Het oude is prima. Sola scriptura: alleen de schrift! We hebben dat nieuwe helemaal niet nodig" (Luc.5:39).

Dan zegt Jezus ook tot ons: "U zegt, dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. Maar u beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. Daarom raad Ik u aan: koop van Mij goud (wat duidt op het hemelse, op wat uit God is) en koop zalf voor uw ogen!" (voor de genezing van uw visie, Op.3:17-18).


JEZUS' LAATSTE PASCHA

Bij Zijn laatste pascha zei Jezus drie belangrijke dingen: "Dit is Mijn lichaam", "dit is Mijn bloed" en "doe dit tot Mijn gedachtenis". We zullen die uitspraken nu nader bekijken.


"...... dit is Mijn lichaam, Mijn vlees ......"

Al eerder had Hij gezegd. "Als u Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie dat wel doet, heeft eeuwig leven en hem zal Ik opwekken" (Joh.6:53-56). M.a.w.: Jezus doet waarachtig leven. Wie Hem eet, wordt opgewekt uit de doodssfeer van "Egypte".

Hoe we Hem eten is niet onder woorden te brengen. Het gaat ons verstand te boven. "Uw wegen zijn niet Mijn wegen. Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen, zegt de Heer" (Jes.55:8-9). Geestelijke kennis komt door openbaring, niet door denkwerk. God geeft openbaring in ons hart, en áls Hij dat doet, begrijpen we dat meestal pas veel later met ons hoofd.

Om het ware brood nieuw te eten in Zijn koninkrijk, moeten wij dus van boven zijn, nieuw geboren uit Woord en Geest. Wat uit de mens is, is menselijk en wat uit de Geest is, is geestelijk (Joh.3:3-6). Zonder een geestelijk wordingsproces komt niemand tot geestelijke kennis. Door kennis over de bijbel alleen, hoe nuttig die ook is, komt niemand tot geestelijk leven. Wie Hem eet, zal leven (Joh.6:53-57). Door het ware brood te eten nemen we toe in wijsheid, in grootte, van een pas geborene tot geestelijk volwassene (1Cor.13:11, Rom.8:12-17).

Dat proces is te vergelijken met onze natuurlijke groei. Baby's hebben moedermelk nodig (1Pet.2:2). Kleuters moet je helpen met eten. Kinderen kunnen zelf niet bepalen, wat het beste voor hen is. Paulus is er erg duidelijk over: "Broeders, ik kon niet tot jullie spreken als tot geestelijke mensen, maar als tot nog onmondige gelovigen in Christus. Melk heb ik jullie gegeven, geen vast voedsel, want dat konden jullie nog niet verdragen" (1Cor.3:1-2).

En aan de Efeziërs schrijft hij: "God heeft apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven om de heiligen toe te rusten, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij de volle kennis van de Zoon hebben bereikt en volgroeid zijn tot de mannelijke rijpheid van Christus. Kijk, dán zijn wij geen onmondige kinderen meer, die stuurloos ronddobberen en met elke wind van leer meewaaien" (Ef.4:11-14).

Die vijf bedieningen zijn dus bedoeld om op te voeden. Daarom staat er totdat. Ware knechten van God voeden geestelijke kinderen op, totdat ook zij zich weten te voeden bij de Bron. Het is vreselijk als wij kinderen zien verhongeren, maar het is ook triest als kinderen klein gehouden worden met melk en nooit aan het ware brood toekomen (Hebr.5:12 en 14). Het is nog erger, als ze worden verhinderd om tot de Bron te komen (Mat.19:14).

Er is dus nogal wat verschil in beleving als het gaat om het eten van de Heer. Dat hangt af van hoe ver we geestelijk zijn gegroeid (vgl. 1Cor.13:11). Verreweg de meeste christenen doen dat met uiterlijke tekenen een enkele keer per jaar. Ze proclameren zo de dood van Christus 1Cor.5:7, 11:26). En dat kan een goed begin zijn.

Er zijn ook gelovigen, die elke dag de inhoud en betekenis beleven van de maaltijd van de Heer. Zij "eten" dagelijks Zijn "vlees en bloed". Ze hebben geen behoefte meer aan een zichtbare rite in een kerkgebouw en krijgen meestal met veel onbegrip te maken. Moeten zij zich dan aangeklaagd voelen, als Jezus hun leven is? Staat er niet: "Zo dikwijls u dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt" (1Cor.11:26). Hij is in hun harten gekomen om maaltijd met hen houden en zij met Hem." (Op.3:20).

De Heer Jezus voedde Zijn leerlingen jaren lang. Ze waren Zijn geestelijke kinderen. Toen zei Hij: "Ik ga tot de Vader en dat is beter voor jullie". Beter? Ja, Zijn menselijke verschijning zou plaats maken voor een hemelse. Hij zou hen als Jezus van Nazareth verlaten, om als vernieuwende Geest in hen terug te keren én in talloze andere discipelen (Hand.1 en 2). Ze zouden allemaal uitgroeien tot geestelijke volwassenen door Zijn inwonende Geest (Joh.16:5-33). Gaan was beter voor hen dan Zijn blijven.

Paulus volgde een identiek patroon. Hij bleef maar drie jaar in Efeze en ging toen verder. In Corinthe gaf hij na achttien maanden de gelovigen de kans om zonder hem door te groeien. Johannes zegt: "Wat u betreft: Zijn Geest is blijvend op u, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder leugen en bedrog. Blijft daarom in Hem" (1Joh.2:27).

In het nieuwe verbond geldt dus: "Niet langer zal ieder de ander leren en zeggen: Ken de Heer. Allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste" (Heb.8:11). Dát is onze roeping: Hem als levend Woord te "eten" en Hem te leren kennen in harmonieuze en directe gemeenschap (1Cor.1:9). In het oude verbond geldt: "Wie dat doet, zal leven". Daar houd je je aan de wet, aan regelgeving van buitenaf (Lev.18:5, Gal.3:12). Daar word je opgepept door mensen op samenkomsten en conferenties. Maar in het nieuwe verbond luister je naar Zijn stem. Daar geldt: "Wie Mij eet, zal leven".

Het is goed, dat Gods schapen in kerken en gemeenten door mensen worden opgevoed in de gerechtigheid. Maar het is een misverstand, dat zij altijd in die "schaapskooien" moeten blijven (Joh.10:3-4). Er zijn maar weinig dominees, voorgangers of priesters, die hun schapen de vrijheid buiten de schaapskooi gunnen. Dat deed Johannes de Doper wél: hij wees zijn discipelen op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29,36). "En twee van zijn discipelen hoorden dat en gingen het Lam volgen" (Joh.1:37). Deze twee, Andréas en Johannes, werden leerlingen van Jezus van Nazareth. De anderen bleven bij Johannes en zouden later ontredderd achterblijven met een onthoofd lichaam (Mat.14:12).


"...... dit is Mijn bloed ......"

Jezus' tweede uitspraak was: "Dit is Mijn bloed". Hij "nam een beker, dankte en zei: Drink allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn verbond" (Mat.26:28).

Eerst de vraag, waarom de Heer sprak over bloed van Zijn verbond. Hij bedoelde dit zo: zoals God Zich aan Israël verbond met de belofte het uit Egypte te verlossen door het bloed van een lam en het te brengen naar een beter land, zo geeft Hij Zijn bloed in een nieuw verbond. Daarbij belooft Hij de Zijnen te verlossen van "Egypte" en hen te doen leven in een nieuw land: in het koninkrijk van God.

Waar duidt "bloed" op? Het is het zielse met haar begeerten en verlangens. Al tot Noach had God gezegd: "Vlees met zijn ziel, zijn bloed, mag u niet eten" (Gen.9:4). Want bloed in vlees wijst op ziels sentiment, dat vaak wordt aangezien voor geestelijk leven. En dat kan God niet accepteren.

Nu de volgende vraag: wat deed Jezus met zijn menselijke begeerten? Hij goot die uit in de dood (Jes.53:12, nephesh=ziel). Hij weigerde Zich te laten leiden door menselijk-zielse behoeften. Hij legde dat alles af" (Joh.10:17-18). Hij richtte Zich zó op God, dat Diens gevoelens ervoor in de plaats konden komen. Hij leerde meeleven en bewogen zijn als de Vader (Joh.17:2). Zo werd Zijn gevoelsleven "nieuw". Het kwam niet uit het vlees voort, maar uit God. Dat is het bloed dat Hij de Zijnen aanbiedt te drinken. En wat moet dát vreemd geklonken hebben in de oren van de discipelen! Zijn bloed drinken? Ze mochten van de wet immers niets eten waar bloed in zat, laat staan bloed drinken (Lev.17:10-16). Ja, in het oude verbond werd het bloed van het lam "aan het huis" gestreken. In het nieuwe verbond moet het bloed van het Lam "in je levenshuis" komen.

Petrus zegt, dat "wij onze ziel aan de Schepper moeten overgeven, steeds het goede doende" (1Petr.4:19). Onze ziel met alle begeerten, verlangens en gevoelens moeten we uitgieten en het nieuwe bloed van Jezus (=de begeerten en verlangens uit God) indrinken. Zo worden we door het Lam verlost van de oude vleselijk-zielse gezindheid van Egypte en blijft de eerstgeborene in ons leven. We worden dan waarlijk vrij en losgekocht van de aarde door Zijn "bloed" (Joh.8:36, Op.14:3). Zo krijgen we steeds meer deel aan de hemelse natuur en kan de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem ook in ons neerdalende zijn uit de hemel van God (2Petr.1:4,1Cor.15:47-49, Op.21:10).


"...... tot Mijn gedachtenis .....,
telkens als jullie die beker drinken ...."

Nu komen we tot Jezus' derde uitspraak tijdens Zijn laatste pascha: "Doe dit tot Mijn gedachtenis" (Luc.22:19). Paulus citeert die woorden met een aanvulling: "Doe dit telkens als jullie die beker drinken tot Mijn gedachtenis" (1Cor.11:25-26). Wat "tot Mijn gedachtenis" betekent hebben we eerder behandeld. Maar nu Paulus' aanvulling: "Telkens als jullie de beker drinken".

De eerste gelovigen leefden in een overgangstijd. Van het Joodse volk eiste of verwachtte Jezus niet, dat zij radicaal en meteen nieuw zouden kunnen denken. Dat leren we namelijk in een proces. De apostelen bleven de wet houden, naar de tempel gaan om de Joodse feesten te vieren, en ze leerden geleidelijk ook de vervulling ervan kennen. Ook Paulus hield zich aanvankelijk nog aan uiterlijke dingen om Joodse of zwakke broeders geen aanstoot te geven (Hand.18:18, 20:16, Rom.14:20, 1Cor.8:9 en13, 10:32).

Hun denken werd dus geleidelijk vernieuwd! (Rom.12:2). En hoe! Paulus schreef later: "Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken, het vieren van feestdagen, nieuwe maan of sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt. De werkelijkheid is Christus!" (Col.2:16). En aan de Galaten: "Houden jullie je echt aan vaste feestdagen, maanden en seizoenen en jaren? Ik vrees, dat al mijn inspanningen voor jullie volkomen zinloos zijn geweest" (Gal.4:10-11). Het ging hem dus uiteindelijk niet om de zichtbare tekenen, maar om de realiteiten in de geest. En gelukkig wordt dat ook nu door steeds meer gelovigen begrepen. Tekenen op zich geven geen leven, maar wel het eten en drinken van Jezus! "Laten we daarom niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig" (2Cor.4:18).

"Doe dit tot Mijn gedachtenis". Wanneer, waar en hoe? Jezus spreekt nooit over een bepaalde plaats of over een vaste tijd. Hij spreekt over nu, in geest en waarheid (Joh.4:21-24). Wanneer? Heden indien u Zijn stem hoort! Hoe? Door Zijn Geest, die voor God een tempel bouwt van mensen (1Petr.2:4-5). Die levende stenen maakt Hij vrij van alle leugen en aan hen openbaart Hij de volle waarheid (Op.14:5, Joh.16:13). Dat betreft ook de waarheid van het eten van de Heer.

Tijdens de viering van het pascha stonden de Israëlieten klaar om meteen Egypte te verlaten (Ex.12:11). In het nieuwe verbond geldt dat ook. Je moet meteen "op reis". Op die reis zullen we de overwinning van het Lam in ons geopenbaard zien (Gal.1:16). We gaan denken als Hij, want de naam van Jezus en die van de Vader worden op ons voorhoofd geschreven. Met vele anderen zingen wij het "nieuwe" lied van Mozes (Deut.32, Op.14:1-2, Op.15:3). Egypte is dan achter ons en uit ons. Dan zijn we in deze wereld én losgekocht van de aarde, tot eer van God, de Vader.



GODS FEESTEN WORDEN VERGETEN

De feesten van de Heer zijn erg veronachtzaamd. Het pascha bijvoorbeeld werd door niet één koning van Israël en Juda gevierd tot Josia (2Kon.23:21-23). Kort na hem ging het weer de verkeerde kant op. Pas in de Babylonische ballingschap kwam het pascha weer in de belangstelling, want daar, in dat vreemde land zonder tempel, maakten ze gebouwtjes (synagogen) om naar de voorlezing van de wet te luisteren. Ezra was bijvoorbeeld zo'n voorlezer.

De eerste christengemeente meende de feesttijden van de Heer van Leviticus 23 wél te moeten vieren en dat gebeurde tot in de tweede eeuw. Maar in het jaar 122 besloot bisschop Sixtus van Rome als eerste om dat niet meer te doen. Dat gebeurde, toen de fiscus judaicus, een belasting voor Joden, werd ingevoerd. En die moest ook worden betaald door niet-Joodse burgers die wel Joodse gebruiken onderhielden. Christenen vielen daar ook onder, omdat zij het pascha bleven vieren. Toen keerden veel gemeenten zich af van alles wat Joods was, uiteindelijk gevolgd door de kerk in zijn geheel.

Het Concilie van Nicea nam in 321 zelfs een heel bizar besluit. Het bepaalde, dat wie Jezus' dood herdacht op het Joodse pascha, uit de kerk zou worden verbannen. Men wilde niets meer te maken hebben met het "oude" pascha.

In de loop van de tijd zijn alle "feesten van de Heer" vergeten. Ervoor in de plaats kwamen (en dat was erger) kerkelijke feesten, door een christelijk tintje te geven aan heidense gebruiken en festiviteiten. Die feesten als bijvoorbeeld kerstmis, bepalen tot op de dag van vandaag nog steeds het kerkelijke jaar. Zo raakte het christendom al vroeg uit het oog, waar het om gaat bij "het eten van de Heer".


TENSLOTTE

Hoe gaan wij nu verder, oud of nieuw? Oud? Blijven we zien op het zichtbare en proberen we oude riten als traditie in stand te houden? Of gaan we nieuw denken en wandelen in geloof?

Het pascha is nooit vervangen door het avondmaal of door de eucharistie. Het werd in Jezus vervuld en door Hem verhoogd tot een dagelijks te ervaren geestelijke realteit voor de Zijnen (vgl.Col.3:4, Joh.6:57-58).

Paulus heeft Jezus als mens nooit gekend. Wat hij wist, had hij van anderen én van Zijn Geest. Van anderen had hij gehoord, dat Jezus had gezegd: "Dit is Mijn lichaam voor jullie. Denk voortaan aan Mij. En deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, denk telkens als jullie hieruit drinken aan Mij" (1Cor.11:24-25). En wat had hij van de Geest gehoord? Dat "altijd wanneer jullie dit brood eten en uit de beker drinken, jullie de dood van de Heer verkondigen, totdat Hij komt" (1Cor.11:23-26). Totdat Hij in hen zou komen. Want na de zichtbare tekenen komt de geestelijke vervulling ervan, in ons binnenste, zegt Paulus (1Cor.15:46).

In de gemeente van Corinthe moest men nog veel leren. Ze moesten leren met elkaar te eten en te drinken op een waardige en ordelijke wijze en te letten op elkaar (1Cor.11:27, 29, 34). Want uit veel bleek, dat zij nog vleselijk en onmondig in Christus waren (1Cor.3:1). Geestelijk waren ze nog in de kinderlijke fase (1Cor.13:11). Daarom hadden zij nog uiterlijke tekenen nodig: ongezuurd brood en rode wijn. Zo gaat het in het leven van iedere gelovige. Eerst de rite met een zekere geestelijke beleving. Dan gaan we doormaken wat Hij als mens meemaakte (Zijn "vlees" eten) en gaan we voelen wat Hij voelde (Zijn "bloed" drinken).

Niemand kan dus zeggen, dat er maar één manier is om de Heer te eten. Alles mag, als het je geestelijk dichter bij Hem brengt en je geloof opbouwt (1Cor.10:23). Het is prima als pas bekeerde gelovigen met de tekenen van brood en wijn de dood van de Heer proclameren. Tot hen zegt Hij: "Ik sta aan je deur en Ik klop. Als je Mijn stem hoort en de deur opent, dan zal Ik bij je binnenkomen en maaltijd met je houden en jij met Mij" (naar Op.3:20). Dat is namelijk het ultieme: nu al met Hem nieuw brood te mogen eten en nieuwe wijn te mogen drinken in het Koninkrijk Gods (vgl. Luc.14:15, Mat.26:29). Dan ervaar je, dat Zijn vlees het "brood" is dat je de geestelijke energie geeft om het Lam te blijven volgen; en dat Zijn bloed de "wijn" is, die ons de gezindheid van de Vader doet kennen.

Home page