Home page


De
troon
in de hemel



"Wie overwint,
hem zal Ik geven
met Mij te zitten op Mijn troon,
gelijk ook Ik heb overwonnen
en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon"
(Op.3:21)


KLIM HIERHEEN OP

Het eerste hoofdstuk van het boek Openbaring beschrijft de verschijning van de verheerlijkte Heer aan Johannes op Patmos. In de twee hoofdstukken erna lezen we, wat Johannes moet schrijven aan de "zeven gouden kandelaren", die gebrekkig licht geven door ongeestelijke, vleselijke en zielse vervuiling van de "olie".

In hoofdstuk 4 gebeurt er wezenlijk iets anders, iets "nieuws". Er staat een "Deur" open in de hemel (vgl. Joh.10:7-9, Heb.10:19-20). En Johannes hoort een "stem" zeggen, als van een trompet zo helder: "Klim hierheen op en Ik zal je laten zien, wat er hierna moet gaan gebeuren" (Op.4:1). Hij "klom op", "hoger" dan de "kandelaren", het tijdloze domein van het "hemelse" in (vgl. 2Cor.12:1-5). Daar zou hij "zien" wat er "hierna" staat te gebeuren.

Wat zou dat zijn? Komen er in de rest van het boek beschrijvingen van apocalyptisch eindtijddrama's met allerlei complotten en aardse conflicten? Nee, het was Jezus' bedoeling iets "te tonen aan Zijn dienstknechten" (Op.1:1).

Eens had Hij tegen Zijn "twaalf" gezegd: "Ik kan jullie nog niet alles zeggen. Maar de Geest zal uit het Mijne nemen en het jullie bekend maken" (Joh.16:5-15). "Hij zal jullie Mijn erchomai (niet de toekomst, maar Mijn komst) bekendmaken" (Op.16:13). Daar gaat het om in "De openbaring van Jezus Christus". De profetie van dit boek laat door de Geest aan "douloi" "Zijn erchomai met de wolken" zien (Op.1:7, 22:7,10,18-19). Klim dus op! Dan gaat u "zien" hoe Hij komt.


DE TROON

Toen Johannes in het "hemelse" kwam, was het eerste wat hij "zag" een "troon" (Op.4:2). Wat zegt ons dat, een "troon"? Het is uiteraard in de Openbaring geen versierde koningszetel van hout. Het is, net als alles in het boek, een semeion, dat heenwijst naar koninklijke waardigheid, macht, gezag, autoriteit en soevereiniteit. Ja, God regeert (Ex.15:18). "Hij zit op Zijn heilige troon" (Ps.47:8). "Hij heerst over alles" (1Kron.29:12).

Waar moeten we Zijn "troon" zoeken? Ergens boven de wolken, in het heelal? Nee, de Vader, n de hemel, n Zijn troon zijn alomtegenwoordig. God is overal soeverein, heeft overal goddelijke macht, heeft overal hemels gezag.

En wat zien we nu gebeuren? Johannes, een doulos van de Heer, wordt geroepen om "op te klimmen" tot "de troon"! Dat is een ongekend hoge, geestelijke beleving. Hij gaat goddelijk koningschap "zien" (=kennen)! Hij ziet met eigen "ogen" Gods koningschap, Zijn "troon", Zijn heerschappij. Waar? In het "hemelse", op Patmos. Sela!

Geldt dat alleen voor Johannes? Nee, dat geldt voor elke "dienstknecht" van de Heer (Op.1:1). Jezus leerde de "twaalf" zo te bidden: "Onze Vader, die in de hemelen zijt, Uw koninkrijk, Uw koningschap, Uw gezag en koninklijke waardigheid kome zoals het is in de hemel, alzo ook (in ons) op aarde". En later zei Hij: "Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon" (Op.3:21). Wat Johannes overkwam, is voor ieder die overwint.


DE VADER OP DE TROON

Hoe "zag" Johannes Hem die "op de troon" gezeten is? Als een oude man met een witte baard? Als een strenge rechter achter een groene tafel of als een wraakzuchtige vergelder? Nee, hij "zag" alleen maar licht en kleur, licht als van schitterende briljanten en kleur als van een regenboog van smaragd (Op.4:3).

De regenboog! Die gaf God na de zondvloed al als "teken van het verbond tussen Hem en de aarde" (Gen.9:13). Hij beloofde toen: "Wanneer Ik 'wolken' over de aarde breng en als Ik zie, dat 'de boog' (=de Zoon) in die 'wolken' (=de zonen) verschijnt (=openbaar wordt), dan gedenk Ik Mijn verbond tot heil van alle levende wezens van alle vlees op aarde" (Gen.9:12-17). De Vader maakt al in Genesis 9 Zijn universele reddingsplan bekend. Ja, Hij, "de levende God is immers een Heiland voor alle mensen", zegt Paulus (1Tim.4:10b).

De "boog" om "Gods troon" is geen zevenkleurig, halfrond natuurverschijnsel zoals wij dat kennen. Hij zag een "ronde boog, rondom de troon" (=met eeuwige macht). Het is Zijn boog (Gen.9:13). Met maar n kleur: groen, de kleur van leven. Door Zijn liefde en eeuwige macht zal alles leven (Gen.1:11, Jer.17:8, Ez.47:9). "De dood zal niet meer zijn" (Op.21:1-5). Zo is de Vader nu eenmaal: grootmachtig, enkel licht, n en al liefde, leven gevend. Zijn licht (=waarheid) en leven zal Hij geven aan alle mensen, als Hij de "boog" in de "wolken" ziet (Gen. 9:12-17).


RONDOM DE TROON

Behalve de regenboog "zag" Johannes ook "vierentwintig tronen rondom de troon, en daarop vierentwintig oudsten in witte kleren en met gouden kronen op hun hoofd" (Op.4:4).

De presbuteros (letterlijk: de ouderen) zijn geestelijk "ouder" dan Gods "kinderen". Ze zijn "koninklijk-priesterlijk" naar de "nieuwe" "ordening" (Hebr.6 en 7). Ze dragen "wit linnen" (=priesterkleding) en zitten ieder op een "troon" met een "gouden" "kroon" op het hoofd. Deze "priesters" hebben dus ook goddelijk gezag en koninklijke waardigheid. Het zijn er "vierentwintig", net zoals er ten tijde van koning David vierentwintig priesterafdelingen waren, elk met een "oudste" (1Kron.24).

"Rondom de troon" doet ons denken aan de situering rondom de tabernakel in de woestijn (Num.1:49-54). Als Isral niet reisde op haar tocht naar het "beloofde land", werd het kamp altijd zo opgesteld: centraal de tabernakel met daarin de ark, "waar God op de cherubs troont" (Jes.37:16)). Dan daar omheen, rondom, de Levitische priesterafdelingen met hun oudsten (v. 50 en 53). En buiten die "kring" de andere stammen, "ieder bij zijn eigen vaandel" (v.52). Johannes "zag" de "vierentwintig priesteroudsten in wit linnen" rondom "de ark", rondom de troon van de Vader.

God had ook bepaald, dat alleen priesters uit de stam van Levi mochten zorgen voor de tabernakel, voor het afbreken en opbouwen ervan, voor de offerdienst en het gerei, voor alles (Num.1:50-51). In het bijzonder "had de Heer hen ook afgezonderd om de ark (=Zijn "troon") te dragen. Wat een heerlijke waarheid! "Douloi", in "wit linnen", die "Gods troon" dragen!

En als er niet gereisd werd, moesten ze vr God staan, om Hem te dienen en om het volk te zegenen in Zijn naam (Deut.10:8). Allereerst dus om Hem te dienen en te aanbidden.

Ook dt "zag" Johannes. Hij zag, dat "de vierentwintig oudsten, die voor God op hun tronen zaten, zich op hun aangezicht wierpen en God aanbaden " (Op.11:16). Hij "zag" aanbidders, die de Vader aan het aanbidden waren in het "hemelse" heiligdom. Dat is in geest en in waarheid (vgl.Joh.4:23). Wonderbaar!


IN HET MIDDEN EN RONDOM DE TROON

"En midden in de troon en rondom de troon waren vier dieren vol ogen van voren en van achteren" (Op.4:6).

"Dieren" is een ongelukkige vertaling. Hier staat niet therion, dieren, beesten. Er staat zo-on (=levende wezens, afgeleid van zao (=leven). Het zijn vier wezens met leven (Joh.1:4, 5:26).

Het zijn zij, die "het leven in de troon" kennen. Kijk eens wat er staat: "Het Lam is in het midden van de troon" (Op.7:17) en "midden in de troon zijn vier wezens met leven" (Op.4:6). De Zoon maakt levend. Die "wezens" hebben "de Zoon, zijn identiek aan Hem en hebben dus leven" (1Joh.5:12).

Waarom "vier?" Het bijbelgetal vier duidt op de vier windstreken. Deze "levende wezens" worden uit alle oorden "losgekocht van de aarde" en "gekocht uit de mensen", als "144.000 eerstelingen". Zij volgen het Lam waar Hij ook heen gaat, tot waar Hij nu is: tot "in de troon" (Op.14:4).

De "ouderen", de "vier levende wezens", de "144.000 zonen Gods" zijn eigenlijk allemaal benamingen voor n en dezelfde geestelijke realiteit. Ze "zingen" allemaal hetzelfde "nieuwe lied", dat niemand anders kan leren dan zij (Op.5:9, 14:1-3). Het zijn verschillende facetten van "de volheid van Christus". De "levende wezens" zijn er niet letterlijk vier als aantal, met elk twee ogen. Het zijn er "vier", uit alle windstreken, "vol ogen van voren en van achteren" (Op.4:6).

De aard van deze "volheid van Christus" wordt aangeduid als "leeuw", "jonge os", als "wezen met een mensengezicht" en als een "vliegende arend" (Op.4:7, vgl.Ez.1:4-28). Ja, "de volheid van Christus" is een toonbeeld van "leeuwenkracht" (Mat.4:23-25, Joh.14:12), heeft de "dienstbaarheid als van een os" (Fil.2:7, Mat.23:11, vgl. Zijn juk: Mat.11:28-30), kent de phroneo (=de denkwijze) van "de Zoon des mensen" (Col.2:3, Fil.2:5) en vliegt als een "arend hoger in de geest" als geen ander.

Ze doen dat met "zes" vleugels (Op.4:8). Het bijbelgetal zes duidt altijd op de mens. Deze "levende wezens" zijn mensen die de Zoon hebben en dus leven hebben (1Joh.5:12). Het zijn kinderen van God die uitgegroeid zijn tot geestelijk volwassenen (vgl. Ef.4:13-15).

En waarom kunnen zij wel, en anderen niet, zo "hoog" "vliegen"? Omdat ze ook "van binnen vol ogen zijn" (Op.4:8). Ze "zien" (=weten), net als Jezus, wat er in de mens is (vgl.Joh.2:24-25). Ze weten, wat er uit het binnenste van de mens kan komen (Mar.7:21). Al die onreinheid, haat, leugen, moord en diefstal, de ziels-babylonische behoeften en verlangens naar traditie, alles hebben ze overwonnen door Hem die hen lief heeft (Rom.8:37). Het zijn overwinnaars!

Daarom juichen ze "dag" en "nacht": "Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was, die is, en die komt" (Op.4:8b). Er staat letterlijk: "Die was, die is en die komende is". Hoe? Met de Zijnen! Waarom? Om samen te overwinnen. Ja, "wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon" (Op.3:21). Halleluja!


VOOR DE TROON

Johannes "ziet" vr de troon een mensenzee van ware kinderen Gods. Ze zijn van alle tijden, "uit alle volk en stammen en natin en talen" (Op.7:9). Die mensen zijn gekomen uit alle mogelijke kerkgenootschappen, huisgemeenten en groepen tot "voor de troon van God".

Ze bleven "staande" in vervolging en "druk" (pressie, v.16) en zijn "wit" gewassen in "het bloed" van het Lam (v.14). Ze vereerden God in Zijn "tempel" in voor- en tegenspoed, "dag en nacht" (v.15).

Nooit meer zullen ze "hongeren" of "dorsten" of "wenen" (v.16-17). God is hun beschutting en bescherming (v.15-16, vgl. 1Cor.3:17, 6:19). En het Lam weidt hen ook naar "grazige weiden" en brengt hen ook bij "waterbronnen van leven" (v.17).

In dat "volk" is "de woeste zee" niet meer. Die is gemaakt tot "een glazen zee, als van kristal" (Op.4:6, 21:1). Het woelige "zielse" is in haar tot rust en vrede gekomen. Ze is zo transparant en licht geworden, dat God haar kan stellen tot een licht voor de volken, opdat Zijn heil zal reiken tot aan het einde van de aarde (Op.4:6, Jes.49:6b, vgl Op.21:1-2,11,23).

Home page