Home page


De oogst
van Gods akker



"En ik zag een witte wolk
en op de wolk iemand als een mensenzoon,
met een gouden kroon op Zijn hoofd
en een scherpe sikkel in Zijn hand".

"En een stem uit de hemel zei:
Zend uw sikkel uit om te oogsten"
"Want de oogst van de aarde is geheel rijp geworden"

"En de akker werd gemaaid"
en "de trossen van de wijngaard van de aarde werden geoogst"
(Op.14:14-20).


INLEIDING

De vorige aflevering sloten we af met de boodschap van de "drie" engelen voor de "overigen van het nageslacht van de Vrouw, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17, 14:6-13). De boodschap was: blijf Hem met ontzag eren, ga uit Babel, want er wordt spoedig geoogst (Op.14:7,18:4). Want de oogst van wat God in de "aarde" (Grieks ge=bouwland) gezaaid en geplant heeft, is helemaal rijp geworden (Op.14:15).

De "aarde" is dus Gods akker, Zijn wijngaard, Zijn plantage, Zijn volk (1Cor.3:9, Jes.5:1-2, 61:3). Hij zaait er Zijn Woord in met de verwachting, dat het in Zijn kinderen zal ontkiemen, groeien, bloeien en rijp worden (Mar.4:1-20, vgl.Jac.5:7b). De oogst ervan is natuurlijk identiek aan wat Hij heeft gezaaid: het Woord, de vrucht van de Geest, liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal.5:22).

De gelijkenis van de zaaier toont ons, dat Gods akker moet zijn schoongemaakt van "platgetreden paadjes" (=traditie), van "steenachtige ondergrond" (de "oude mens", vgl. Jes.5:2-7) en van "dorens", "distels en "onkruid", dat de vijand erin heeft gezaaid (Mat.13:24-31).


DE HEMELSE ZOON DES MENSEN

Wat "ziet" Johannes nu? "Een witte wolk en op de wolk iemand als een mensenzoon met een gouden kroon op Zijn hoofd en een scherpe sikkel in Zijn hand" (Op.14:14).

Dit is niet een visioen van de Heer zoals Hij komt, met de wolken (Op.1:8). Maar zoals Hij is, de Zoon des mensen, zittend op de witte wolk van Gods heerlijkheid (Mat.26:64, Mar,16:19).

Op Zijn hoofd heeft Hij een "gouden kroon" (Gr. stefanos = overwinnaarskrans). Eťn kroon (vgl.Op.19:12). Het is alleen Jezus van Nazareth die Zoon van God genoemd zou worden, de Overwinnaar, onze Koning en Heer. En in Zijn hand heeft Hij een scherpe sikkel.


DE SIKKEL IN ZIJN HAND

Mensen kunnen gebruikt worden als gereedschap. De Heer zei destijds van Paulus: "Hij is voor Mij een uitverkoren werktuig (Hand.9:15). Nu zien we de Heer met een sikkel. Wie is of wie zijn dat? Wie gaat Hij gebruiken om "de rijpe oogst van Gods akker" te "maaien"?

De Heer Jezus zei eens: "De maaiers zijn de engelen (Mat.13:39). En: "De Zoon des mensen "zal Zijn engelen (aggelos=boodschappers) uitzenden met luid bazuingeschal" (Mat.24:31).

De maaiers zijn "de zeven engelen" van "de zeven gemeenten", "de zeven sterren" in Zijn rechterhand in wie Hij het boek van het leven van het Lam opende. Zij worden niet alleen uitgezonden met "luid bazuingeschal" (met een duidelijke boodschap). Ze zijn ook "de sikkel in Zijn hand", de "maaiers".

Aanvankelijk waren er uit het hele Joodse volk maar "12" en later "72" uitverkoren werktuigen (Joh.4:38,15:16, Luc.10:1). Het worden er uiteindelijk "144000", allemaal "eerstelingen" van Gods kinderen. Ze zijn niet anders of beter dan "het volk". Het zijn alleen de enkelingen die eerder rijp zijn en die met zorg worden uitgekozen en geplukt.

En nu de oogst van Gods hemelse akker helemaal rijp is geworden, zendt Hij, die op de wolk van de heerlijkheid van God zit, hen uit om "de oogst" van "de gehele aarde (ge=akker)" te "maaien" en om de "trossen van de wijngaard van de aarde te oogsten" (Op.14-20).


ZEND UW SIKKEL UIT

Luide stemmen riepen tot Hem, die als een mensenzoon zit op de wolk van Gods heerlijkheid: "Zend Uw sikkel uit om de gehele oogst van de akker te maaien ......" (Op.14:15).

Maaiers van Gods akker zijn gezondenen, apostelen. Jezus stelde de "12" aan, opdat Hij hen zou uitzenden" (Mar.3:14-15). De "72" zond Hij voor Zich uit, "twee" aan "twee", naar alle steden en plaatsen, waar Hij Zelf komen zou (Luk.10:1-2). En na Zijn opwekking verscheen Hij opnieuw aan de discipelen en zei: "Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook jullie uit" (Joh.20:21). Dat geldt nu voor de "144000". Luide stemmen riepen tot de mensenzoon op de wolk van Gods heerlijkheid: "Zend Uw sikkel uit om de oogst van de aarde te maaien ......" (Op.14:15).

Waar komen de stemmen vandaan en van wie zijn ze? De eerste stem komt uit de hemelse tempel (Op.14:15). Het Griekse woord, dat als tempel is vertaald is naos. Dat is het binnenste van de tempel, het heilige der heiligen, waar Gods heerlijkheid in volheid aanwezig is. Daaruit klinkt als eerste de stem van de Vader, die macht heeft over tijd en ogenblik van gebeurtenissen (Hand.1:7). Hij bepaalt nu, dat het de tijd is om te gaan oogsten. Hij is "de Heer van de oogst" (Luc.10:2) Hij geeft de opdracht (Op.14:15).

En Hij die op de wolk is gezeten, gehoorzaamt (Op.14:16). Johannes "ziet" Hem komen uit de "naos" in de gedaante van de "Engel des Heren", met een scherpe sikkel bij Zich (Op.14:17). De Vader is de opdrachtgever, Jezus de uitvoerder van de opdracht.

Een "andere" engel komt uit het hemelse altaar en laat zien wie de arbeiders zijn, de "maaiers". Hun stem komt uit het gouden altaar (Op.14:18). Zij zijn "geslacht" en "onthoofd door het Woord van God" (Op.6:9, 14:18, 20:4, vgl. ook Hebr.4:12). Zij "moesten wachten totdat hun getal vol zou zijn" (Op.6:10-11). Nu is het vol: "144.000". Nu kunnen ze als "maaiers" worden uitgezonden om de rijke oogst van Gods akker binnen te halen.


DE OOGST VAN DE AKKER

God zaait het Woord in Zijn "akker", Zijn volk, de Gemeente (Mar.4:14, 1Cor.3:9). Wat op "goede aarde" valt, komt niet vruchteloos naar Hem terug, maar komt op als wat er in is gezaaid: als Woord, als Woord van leven (Mat.13:10-23). In Zijn kinderen! In ons! Wonderbaar!

Om te "groeien" en te "rijpen" moeten we allereerst naar Gods Geest leren luisteren. Dat is "een oor hebben om te horen", "gehoor" geven, "gehoorzaam" Jezus navolgen, Hem naleven (Joh.10:1-4, 1Pet.2:21). Wij moeten net als destijds bij Hem, ook ons oor laten openen (Jes.50:5), ook opgroeien en krachtig worden, ook vervuld worden met wijsheid en de weg tot geestelijke volwassenheid gaan zonder weerspannig te zijn (Luk.2:40, Jes.50:5).

Die "mannelijke rijpheid, de volle maat van rijpheid in Christus", verwerven eerst de "144000" (Ef.4:13, Op.14:1-5). Als eersten worden zij gelijkvormig aan Jezus en krijgen een cruciale taak in de verdere ontvouwing van Gods plan (Fil.3:21, Rom.8:19-21, 29).

Maar Gods kinderen, die eeuwen lang op kerkelijke "akkers" "kind" zijn gebleven, worden ook "rijp" en "geoogst". Eerst dus de eerstelingen van het land, dan de volle oogst! Wat een evangelie!

Daarover hebben we uitgebreid geschreven in "Van pascha tot loofhutten" elders op deze site. De drie feesttijden van de Heer waren namelijk allemaal oogstfeesten, die op schitterende wijze Gods plan met Zijn volk typeren.

Eerst het pascha in "de eerste maand", waarbij er de allereerste schoof omhoog bewogen werd (Lev.23:4, 10-14). Dat symboliseert de mede-opwekking van veel ontslapen heiligen, toen ons paschalam, Jezus, werd opgewekt. "Ze gingen uit de graven na Zijn opstanding en kwamen in de heilige stad waar ze aan velen verschenen" (Mat.27:52-53).

Dan het feest van de eerstelingen, het pinksterfeest in "de derde maand" (Lev.23:15-21). Tijdens dat feest werden er "twee" "gerstebroden" bewogen, die de eerstelingen symboliseren, die pinksteren persoonlijk ervaren. Zij worden opgewekt en hun wordt een plaats gegeven in de hemelse gewesten (Ef.2:6).

Het loofhuttenfeest in de "zevende maand" is het feest, waarop gevierd werd dat de hele oogst van "koren, most en olie" is binnengehaald. Niet ťťn schoof. Niet twee gerstebroden. Nu de volle oogst van Gods akker. De dorsvloeren liggen vol koren en de perskuipen stromen over (JoŽl 2:18,24). Dat is de feesttijd van volle vrede en vreugde, volle heerlijkheid en rust.


DE OOGST VAN DE WIJNGAARD

"Er kwam een engel uit het altaar, die luid riep tot Hem met de scherpe sikkel: Zend uw sikkel uit om de trossen van de wijngaard op de "aarde" (=ge) te oogsten, want de druiven zijn rijp" (Op.14:18).

De oogst van het "koren" is wat in de "akker" is gezaaid: het Woord (Mar.4:14). "Ware wijn" komt van "de ware wijnstok", Jezus. De vruchten voor die "wijn" groeien aan de zijtakken van de "wijnstok". Door gemeenschap met Hem krijgen ze van Hem het vermogen om geestelijk te groeien en rijp te worden (Joh.15:1-8, vgl. Ps.63:8, Ef.4:13-14).

Druiven moeten "geperst" worden om er "wijn" van te kunnen maken. In het oosten deed men dat door juichend en zingend op blote voeten in een persbak rond te lopen (vgl. Jer.48:33, Jes.16:10). Wat was het een feest om het sap eruit te zien stromen. Het gebeurde in "de zevende maand", de maand van het loofhuttenfeest, het feest van de volle oogst.

Ook olijven moeten geperst worden. Dat gebeurde doorgaans "buiten de stad" (Op.14:20). Dat is buiten de "grote stad" die de "twee" getuigen doodt, die geestelijk Sodom en Egypte heet en waar de Heer gekruisigd is (Op.11:8). Buiten "die stad" werd de Heer Jezus in Zijn menszijn volledig uitgeperst voordat Hij werd gekruisigd. Dat gebeurde in een tuin aan de voet van de Olijfberg, die Gethsemane (=persbak) heet.

De meeste vertalingen beschrijven "de grote persbak van Gods gramschap" als een plek van woede, toorn, straf (Op.14:19). Er komt zo'n geweldige stroom "bloed" uit, tot aan de teugels van de paarden, dat sommigen denken, dat het hier gaat om een hevige strijd met ruiters te paard op een bloedig slagveld. Over vervleselijking van het Woord van God gesproken! De waarheid is totaal anders!

Nee, "de grote persbak van Gods gramschap" is een plaats van vreugde. Voor gramschap staat er in de grondtekst namelijk thumos: hartstocht, gloed, vurigheid. Gods hartstocht is liefde geven. Zijn vurige verlangen is te "oogsten" van "Zijn land" en om "wijn" te krijgen van Zijn "wijngaard" (Op.14:16, 19, vgl.Jac.5:7)). Het is hier geen oorlogstijd, maar oogsttijd!

Nu het sap, dat uit de wijnpers stroomt. Het blijkt "bloed" te zijn. Wat betekent dat?

De Heer Jezus geeft het antwoord: Hij combineert "wijn", "bloed" en "leven" met elkaar. Hij zegt: "Wie Mijn bloed drinkt, heeft leven" (Joh.6:53-54). En toen Hij voor het laatst met Zijn discipelen at, zei Hij: "Drink nu allemaal uit deze beker met wijn, dit is het bloed van Mijn verbond tot vergeving van zonden" (Mat.26:27-28). Dit is de ware "wijn, die het hart van de mens verheugt" (Ps.104:15). Uit de persbak stroomt "bloed", waarachtig leven, LEVEN IN OVERVLOED (vgl. Joh.10:10, 1Joh.5:12).

Door die levengevende "stroom" gaat ieder verstaan, dat er een verbond is tot vergeving van zonden door het bloed van Christus. Ze reikt "zestienhonderd" stadiŽn ver, de afstand van Dan tot Berseba, van het noorden tot aan het zuiden van het beloofde land (Op.14:20). Zo zal "heel IsraŽl", de "mensenmenigte die niemand tellen kan uit alle volk en stammen en natiŽn en talen", behouden worden (Rom.11:26, vgl.Op.7:9-10).

De stroom uit de wijnpers is zo diep, dat ze reikt tot aan de teugels van de paarden, tot aan het bit in hun bek. Waar betekent dat? Waar wijst het teken "paard" op?

Het duidt op menselijke kracht, op "vleselijkheid", op "Egypte". "Farao" probeerde met "600" "paarden" IsraŽl te achterhalen ("6": het bijbelgetal het "vlees"). Later werd bepaald, dat IsraŽl niet naar Egypte mocht gaan om er paarden te kopen (Deut.17:16-17). "God heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard en in de benen van een man" (Ps.147:10). "Paarden brengen geen overwinning en hun geweldige kracht geeft geen redding" (zie Ps.33:16-17).

Nu reikt het "bloed uit de persbak" tot aan de teugels van de paarden, tot aan het bit in hun bek waar je paarden mee stuurt. Er komt dus een einde aan het gemanipuleer door "het vlees". Aan elke vorm van "vleselijk religie bedrijven" komt een eind. Door die gigantische levensstroom wordt alles anders in "IsraŽl". Het zal gedaan zijn met het hier "beneden" namaken wat voor het "hemelse" is bedoeld. "Niets zal meer slagen door eigen kracht of wereldlijke macht, maar alleen door Gods Geest" (Zach.4:6, NBV). Alles wordt "nieuw", "gezond", "gaaf", "levend". Dan zal er zelfs op de bellen van de paarden gegraveerd staan: aan de Heer gewijd (Zach.14:20).

Jezus heeft helemaal alleen de wijnpers getreden (Jes.63:3). De most (=druivensap) stroomt eruit als "bloed" tot vergeving van zonden voor al Gods kinderen, uit alle volk en stammen en natiŽn en talen (Mat.26:28, Op.7:9). Ze mogen komen staan voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden, met palmtakken in hun handen en juichen: "We zijn gered door onze hemelse Vader en door het Lam!" (Op.7:10).


KOREN, MOST EN OLIE

Uit de Zoon stroomt er verzoenend "bloed" in overvloed. Uit "de zonen van olie" stroomt er "olie" als van "goud", de Geest van God! (Op.6:1-17 Zach.4:12, vgl. Job 23:10, Rom.8:14). Dat alles is "uit God" en leidt tot bevrijding (Rom.8:19-21).

En het "graan" van Gods akker ligt nu op de dorsvloer (JoŽl 2:24). Dat moet nog worden gedorst en gewand, want al het kaf moet eraf (Jes.41:15-16). Eerst gaat de dorsslede er overheen en dan neemt de Heer "de wan in Zijn hand om Zijn dorsvloer geheel te zuiveren. Dan zal het graan worden gebracht in de schuur en het kaf zal worden verbrand met onuitblusbaar vuur" (Mat.3:12).

Prijs de naam van de Heer die zegt: "De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen zullen van most en olie overstromen" (JoŽl 2:24). En: "Gij zult volop en tot verzadiging eten, en gij zult loven de naam van de HERE, uw God, die wonderbaar met u gehandeld heeft" (JoŽl 2:26).


DE LAATSTE BAZUIN

De "zevende" bazuin voor Gods volk is de laatste. Die begint met een lofzang: "Dank U, Vader, dat Uw zonen openbaar zijn geworden en dat de Heer Jezus nu met hen regeert. En dank U, dat alle 'volken die Uw naam vrezen' ook naar U gaan verlangen" (Op.11:15-18).

En de bazuin eindigt met een lofzang: "Dank U, almachtige Vader, voor Uw wegen, die rechtvaardig en waarachtig zijn. De volken (die Uw naam vrezen) zullen komen, want Uw gerichten zijn openbaar geworden" (Op.15:3-4). Wat betekent dat?

Richten is in het Grieks dikaio-oo en betekent recht zetten, recht maken, rechtvaardig maken. Gerichten zijn rechtzettingen. Al Gods kinderen worden "gericht" door het uitgieten van "zeven gouden schalen" vol met Gods "gramschap" (=hartstocht). Het is een proces van dorsen en wannen, van drukken en persen (Op.15-17).

Dat proces is nodig om alle "overigen van het nageslacht van de Vrouw" in te voegen in de "hemelse stad", om samen de "Bruid van Christus" te kunnen zijn. In allen moet het kaf van het koren gescheiden worden en moet de wijn en de olie puur zijn, zuiver. Al Gods kinderen worden geheel gerechtvaardigd, gericht. Dank U, Heer! Wat U in hen heeft gezaaid en geplant, leidt onherroepelijk tot een overvloedige en kostbare opbrengst (vgl.Jac.5:7). Halleluja!

Home page