Home page


De
zevende bazuin



"Het koningschap
over de wereld is gekomen
aan onze Heer en Zijn Gezalfde.
Hij zal als koning heersen
tot in alle eeuwigheden"
(Op.11:15).


INLEIDING

Na "zes" bazuinen komt er een "engel" (boodschapper) met de laatste bazuin. Die proclameert, dat de zonen Gods openbaar worden en dat de Heer met hen gaat regeren tot in "de aioon der aionen" (Op.11:15).

Openbaar wording! De "tempel die in de hemel is" gaat open en de "ark van Gods verbond" wordt zichtbaar! (Op.11:19). "Een vrouw in de hemel" baart een koninklijk "mannelijk wezen" (Op.12:1-2, 5).

Van "Gods akker" zijn de eerstelingen "rijp" en worden geoogst (Op.14:15-16). En uit "de persbak" van "de wijngaard van de aarde" stroomt een geweldige opbrengst (Op.14:18-20).

"Het onkruid" wordt ook "rijp" en de zaaier ervan ontmaskerd (Op.12:7-12, 13:1-18, vgl.Mat.13:24-30, Col.2:15).


DE GEMEENTE

IN GEEST EN WAARHEID

De "vrouw", die het "mannelijk wezen" van "144000" eerstelingen baart, zijn niet de talloze aardsgerichte kerken, gemeenten en religieuze bewegingen. Ze is de Gemeente in geest en waarheid, in de "hemel", "met de Zon bekleed" en "met de maan onder haar voeten" (Op.12:1-2,5). Haar "uitgang" is voltooid en haar "ingang" niet langer een hoop, maar een feit (vgl.Ps.121:8). Ze is "nieuw", "hemels".

Johannes "ziet" hier dus niet "zeven" gemeenten op "aarde" die "zorgen baren" (Op.2 en 3). Dit is de Gemeente, "de vrouw in de hemel", die "een mannelijke wezen" baart voor God en voor de "troon" (Op.12:1,5).

Uit haar komen de "zonen Gods" voort, naar wie de hele schepping zo verlangend naar heeft uitgezien, aionen lang (Rom.8:19-21). Als zij hen "baart", begint het koningschap over deze wereld van onze Heer en van Zijn gezalfde (Rom.8:19, Op.11:15).


ZONEN

MET KONINGSCHAP OVER DEZE WERELD

Zonen Gods worden gebaard door een vlekkeloze maagd: Jezus uit een "aardse", de vele broeders uit een "hemelse" (Rom.8:29, Op.12:1-5).

Eerst iets over Jezus, de Zoon. Hij kwam uit de hemel, werd geboren uit Maria en klom als Eerste op naar de hemel om als mens Zoon van God te zijn (Joh.3:13, Col.1:18).

Toen Hij Zich op Zijn dertigste (30=geestelijke volwassenheid) liet dopen in de Jordaan, daalde er een "duif" op Hem neer en een stem zei: "Dit is Mijn Zoon, in wie Ik welbehagen heb" (Mat.3:17, vgl.Joh.5:20). Johannes de Doper concludeerde toen: "De Vader heeft Hem nu alles in handen gegeven" (Joh.3:35).

Jezus was toen geestelijk volgroeid! (vgl.Luc.2:40). Daarom stelde de Vader Hem aan als de Zoon, aan wie Hij alles kon toevertrouwen. Hij gaf Hem de volmacht om namens Hem te spreken en te handelen. "Hem werd gegeven alle macht in de "hemel" en op de "aarde" (vgl.Joh.14:7-11, Mat.28:18).

Hij was toen als mens geheel "van boven", "hemels", met "alle volheid van God in Zich" (Joh.18:23, Col.2:9). Vandaar, dat Hij kon zeggen: "Ik ben niet van deze wereld" (Joh.8:23). En: "Mijn koninkrijk (basileia= koningschap, koninklijke waardigheid) is ook niet van "deze wereld" (Joh.18:36).`

Wat bedoelde Hij met "deze wereld"?

Niet deze aardbol, deze planeet. Er staat kosmos (=ordening). "Deze wereld" is alles, wat is "geordend" door de natuurlijke mens, door het "vlees". Het is alles wat "uit de mens" is, religieus, politiek, economisch, enz. Jezus staat daar boven (vgl.Joh.17:2). Hij is Hemelkoning! Zijn koningschap is veel verhevener, "hemels".

En nu baart de Gemeente, de "hemelse maagd", zonen die ook zo zijn. Zij worden ook "koningen" op de "troon" in de "hemel" (Op.14:1, 3:21, 12:5). Ook hun koningschap is niet "van deze wereld" (Op.5:10).Ook zij zijn in hun leven opgeklommen naar "boven", tot op "Sion" en zijn verlossers geworden (Ob.1:21). Ook zij krijgen, net als Jezus, macht over "alle vlees" "tot in de allerheerlijkste aioon" (vgl.Joh.17:2,14-16, Op.12:10-11, 11:15, 14:1-5). Koningschap Gods over deze wereld is nu gekomen aan onze Heer en aan Zijn Gezalfde (Op.11:15).

Niet meer van "deze wereld" te zijn is de voleinding van het grote geheimenis van de godsvrucht (vgl.1Tim.3:16, Op.10:7). Dan geldt niet alleen: "Christus in u, de hoop der heerlijkheid", maar "Christus is uw leven en is uw heerlijkheid" (Col.1:27).

Wie dat kent, zal met Hem verschijnen in heerlijkheid (Col.3:4). Dan komt Hij "met de wolken" (Op.1:7). De Vader ziet dan de "boog" (=Christus) in "de wolken" verschijnen en "gedenkt dan alle levende wezens van alle vlees" (Gen.9:8-19). De "oude slang" wordt dan overwonnen en de "144000" worden verlossers en herders van volkeren (Op.12:5,11). Uiteindelijk wordt alles en iedereen, ja, de hele schepping, door hen geoordeeld (=gecorrigeerd), gericht (=rechtgezet), verlicht en bevrijd (Rom.8:18-21).

Vandaar dat Johannes een luide stem in de hemel hoorde zeggen: "Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van Zijn Gezalfde. Want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En ze hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis" (Op.12:10-11, NBV). Halleluja!


DE TEMPEL IN DE HEMEL GAAT OPEN

Johannes ziet van deze open-baring nůg een prachtig semeion: de "tempel van God, die in de hemel is" gaat open en de "ark" wordt zichtbaar (Op.11:19).

Onze Vader in de hemel woont in een hemelse "tempel", in een hemels "huis" (Joh.14:2). Dat is de Gemeente, de "verheven stad", het "nieuwe Jeruzalem" (Hand.7:49, Op.21:2,16).

Het voor ons "opengaan" daarvan is de weg tot zoonschap. Eerst door "de Deur" (Joh.10:7). Dan over "de Weg" die begint in "de voorhof", waar alles is van "koper" (=oordeel: correctie). Vervolgens door "het heilige" met attributen van "acaciahout" en "goud" (=het goddelijke) om uiteindelijk tot in "het heilige der heiligen" binnen te gaan (Hebr.6:19-20, 9:3).

Dat "opengaan" gaat gepaard met imposante "woorden" als van "bliksemstralen en stemmen, donderslagen en aardbeving en zware hagel", allemaal uitingen van "het levende Woord van God", dat "uitwerkt" wat Zijn hand begon (Op.11:19, vgl.1Cor.3:16-17).

Dit alles voltrekt zich nu "nieuw", in de geest. Jezus is de "nieuwe weg", met het "nieuwe" verbond in Zijn bloed (Luc.22:20, 1Cor.5:7, 11:25). Wie Hem navolgt, gaat door "de Deur", op "de Weg" van "de Waarheid" (=licht) tot de volle waarheid (Joh.14:6, 16:13). Dan leren we "Zijn Leven" kennen in het hemelse heiligdom (Hebr.10:19-20).


EN DE ARK WORDT ZICHTBAAR

In het allerheiligste van dat heiligdom staat alleen een "ark", een kist van "acaciahout", die van binnen en van buiten met "goud" is overtrokken (Ex.37:1-9). Het is een prachtig beeld van Christus als Zoon des mensen: van "hout" (=mens), bekleed met "goud" (=God), "van binnen" en "van buiten" (Joh.14:9, Col.2:9). Hij wordt zichtbaar!

Op de ark ligt een deksel van "massief goud" (=puur goddelijk). Het wordt verzoendeksel genoemd, verwijzend naar Jezus, het Lam van God, dat voor ons is geslacht en ons verzoent met de Vader (1Tim.4:10b, 1Cor.5:7). Ook dat wordt openbaar!

Maar er is meer. Op het massief gouden verzoendeksel staan "twee" massief gouden "cherubs", samengesmeed met het "verzoendeksel". Het is een prachtig teken van de zonen Gods, die ťťn zijn met het Lam. Samen met het verzoendeksel symboliseren ze "de volheid van Christus", de Zoon met de zonen, Jezus met de Zijnen. Ze worden zichtbaar! Samen! (Col.3:4).

Waarom twee cherubs, twee "hemelse" wezens?

Toen de profeet Zacharia de hemel open zag, verscheen hem een "gouden kandelaar" met een "oliehouder" (=Jezus) en links en rechts ervan "twee olijfbomen" (Zach.4:1-3). Uit die "twee" stroomde "goud"! (Zach.4:12). En een engel zei: "Dat zijn de twee gezalfden" (letterlijk: de "twee zonen van olie", Zach.4:14). "Dat zijn de twee olijfbomen, de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Heer van de aarde staan (Op.11:4). Hij zag "de volheid van Christus", "de twee".

Ze worden ook Gods "twee getuigen" genoemd. Waarvan zouden de "twee", waaruit "goud" stroomt, getuigen? Welk "licht" (=waarheid) stralen zij, die ťťn met het verzoendeksel, uit? Het kan niet anders zijn dan de "gouden" boodschap van verzoening. Wereldwijd laten ze horen, dat de Vader Zich al voor de "grondlegging der wereld" met alles en iedereen heeft verzoend door het bloed van het Lam (Op.13:8).

Het is duidelijk, dat de verzoening van Gods kant nog lang niet door iedereen is aanvaard (vgl.Col.1:19-23). Dat gaat wel gebeuren, als de "ark" met "de twee" openbaar worden (Rom.8:19). Zij zijn samen levende, heilige, voor God welgevallige offers, die overal het woord van verzoening gaan brengen (Rom.12:1, Op.6:9, 2Cor.5:18-19). Dan zal "voor de HEER alle knie zich buigen en alle tong Hem danken en loven" (Jes.45:23, Rom.14:11). Halleluja!


DE VROUW EN DE DRAAK

Maria, een "aardse" maagd, zou zwanger worden door overschaduwing van de Geest van de Allerhoogste (Luc.1:26-38). Toen ze dat van een engel hoorde, zei ze: "Als u dat wilt, Heer, laat er dan met mij gebeuren, wat u hebt gezegd" (v.38). Ze baarde Jezus, die Zoon van God genoemd zou worden en die eeuwig Koning zou zijn (v.33,35).

Nu de "Vrouw in de hemel", de ware Gemeente van alle tijden. Zij is bekleed met de Zon (Op.12:1). Omdat ze in alles de wil van de Vader doet, is ook zij moeder van de Zoon (Mat.12:50). Dat zei Jezus: "Wie de wil doet van Mijn Vader die de hemelen is, .... die is Mijn moeder" (Mat.12:50, Mar.3:35). Zij baart hen, die zonen Gods genoemd zullen worden en die ook "als koningen zullen heersen" (Op.22:5).

Behalve het "teken van de vrouw in de hemel" ziet Johannes nog een teken: een grote, rossige draak (Op.12:3). Het duidt op "de oude slang" die eens Eva verleidde en die is uitgegroeid tot "een grote draak" (Op.12:9). Hij blijft bij de "Vrouw" om, "zodra ze haar kind gebaard heeft, dit te verslinden" (Op.12:4b). Maar het blijkt na de "baring" meteen bij God te zijn, op Zijn "troon", onaantastbaar, als "koningen" (Op.12:5). Er zijn "zonen Gods" openbaar geworden!

Wat doet God met "de Moeder van de volheid van Christus"? Hoe wordt er voor de Gemeente gezorgd?

Ze krijgt een door "Hem bereide plaats" in "het hemelse". Ze vindt die toevlucht "met de twee vleugels van de grote arend" (Op.12:6,14). Ze is daar bij God, in de geest, maar nog wel op "aarde". Dat voelt als "in een woestijn", waar niets is om van te leven behalve het "brood", dat uit de mond van God komt (Mat.4:4). Zo wordt ze "onderhouden" (=gevoed en gekoesterd) buiten het gezicht van "de slang", "drie en een half jaar" lang, in het "tijdelijke" op "aarde", in het eeuwige nu (Op.12:6,13-14).

Zij "valt" niet, als Eva. Ze blijft staan in alle verzoekingen en is bestand tegen de gemene woordenstroom die de draak haar nog naspuwt (Op.12:15, Jac.1:2-18). Ze laat zich niet wegsleuren van haar zuivere toewijding aan de Heer (vgl.2Cor.11:3).

En de draak? Hij en "zijn engelen" (=boodschappers) worden overwonnen door "MichaŽl" (=die is als God: Jezus) en "Zijn krachtige helden". Dat zijn de zonen Gods die zijn "als de engelen" (Op.12:7, vgl.Ps.103:19-22, Mat.22:30). "De draak en Zijn engelen" worden neergeworpen uit het "hemelse", in het "stof" van de "aarde" en in het "water" van de "zee" (Op.12:7-9).

Toen hoorde Johannes: "Nu is Gods bevrijding (soteria) begonnen! Nu is Zijn kracht (dunamis) openbaar geworden! Nu komt "van Hem het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid" (vgl.Mat.6:13). Nu is alle macht (exousia) gekomen aan Zijn Gezalfde! Ja, zij (meervoud!) hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis" (Op.12:10-11). Wonderbaar!

"Daarom, verheugt u, gij "hemel" en wie daarin wonen. Maar wee de "aarde" en de "zee", want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft" (Op.12:10-12).

En ja hoor. "De draak ging van de vrouw weg om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17).


DE DRAAK

ONTMASKERD EN OVERWONNEN

De zaaier van het "onkruid" wordt ontmaskerd als "beest uit de zee" en als "beest uit de aarde" (Op.13). Dat zijn vanzelfsprekend geen natuurlijke dieren, een nijlpaard of een krokodil (Job 40:10,20, NBG). Het zijn de werkingen van het kwaad (Grieks: beesten=therion=verscheurende dieren). God zegt, dat die "beesten" alles te maken hebben met de gevallen Adam, met "de eerste van Zijn werken, het schepsel, waaraan Hij Zijn "zwaard" (=Woord) gaf (Job 40:14).

Het "beest uit de zee" appeleert namelijk op de begeerten van de "oude mens". Het "beest uit de aarde" zet dat begeren om in daden, in werken van het "vlees" (666, Op.13:18).


HET BEEST UIT DE ZEE

Johannes ziet, dat het "beest uit de zee" opkomende is (Op.13:1). Dat gebeurt dus continu, in het nu van alle tijden.

Er zit een "vrouw" op met deze "naam": "Het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde" (Op.17:1-18). Het is het geestelijke Sodom en Egypte, waar men de Heer en "de twee getuigen" kruisigt (Op.11:8).

De "zee" is het rusteloze, instabiele, zielse bestaansniveau. Je kunt er zo opgezweept worden door vleselijke begeerten, dat je niet meer tot rust kunt komen (Jes.57:20).

Daaruit verrijst een "beest", dat zijn kracht krijgt van "de draak" om God, Zijn naam, Zijn tempel en hen die in de "hemel" wonen, te lasteren (Op.13:2,5-6). Die kracht maakt mensen tot "adderengebroed", tot "slangen", vol venijn en slechtheid (Mat.23:33, Luc.11:39, Ez.34:1-10). D

Dat gebeurde destijds met wet- en schriftgeleerden, die "van beneden" waren (Joh.8:23). Jezus zei, dat "ze de duivel tot vader hadden en dat ze de begeerten wilden doen van die leugenaar en mensenmoordenaar van den beginne" (naar Joh.8:44).

En ook nu probeert het "beest uit zee" gelovigen zo te betoveren, dat hun denken van de eenvoudige, zuiver toewijding aan Christus wordt afgetrokken (Gal.3:1, 2Cor.11:3). Hij wil, dat je verlangt naar religieuze poespas, traditie, rites, sentiment, sensatie, enz. Dit alles geeft geen greintje leven (vgl.Op.20:13). Alleen maar namaak, nep, schijn! (2Tim.3:5).

Johannes zag de ware aard van dit "zeemonster". Het heeft "zeven" "gekroonde koppen", wat erop duidt dat het de mens helemaal wil beheersen (Op.13:1). Het is leep als een luipaard, sterk als een beer en brullend als een leeuw (Op.13:2, 1Pet.5:8). Zo bewerkt het de begeerten van hen die op "de aarde" wonen (Op.13:2-8). "Wee, wee, wee hun" (Op.8:13, 13:8). Wee de "aarde" en de "zee" als deze duivel over u macht krijgt ...... (vgl.Op.12:12).


HET BEEST UIT DE AARDE

Dan ziet Johannes "een ander beest" opkomen, vanuit de "aarde" (Op.13:11). Het spreekt als de "draak" en "oefent alle macht van het eerste beest voor diens ogen uit" (Op.13:11-12).

Een ander beest. Dit Griekse woordje voor ander betekent een andere verschijning van dezelfde. We zien dat bij voorbeeld ook, toen Jezus, de Parakletos (=Helper), een andere Helper beloofde te zenden (Joh.16:7). Dat was Hijzelf, maar dan als Geest. Want "de Heer nu is de Geest" (2Cor.3:17). Eerst ziet Johannes "het beest uit de zee", dan "het andere beest uit de aarde": twee verschijningen van hetzelfde kwaad.

Waar het "beest uit de zee" je naar laat begeren, dat laat het "beest uit de aarde" je "aards" uitwerken. Maar het moet wel echt lijken en daarom doet het zich voor als het Lam, maar spreekt als de draak (Op.13:11-12). Met grote tekenen tracht het hen, die op de "aarde" wonen, te verleiden (Op.12:9,13:14, vgl.2:20). Het laat zelfs een beeld maken van "het beest uit de zee" om dat te aanbidden in plaats van de Vader in de "hemel" (Op.13:12-17). Zo worden gelovigen gemaakt tot vijanden van God (Jes.63:10, Gal.5:17).

Want God wordt gekwetst door de werken van het "vlees", door "hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke" (Gal.5:16-26).

Maar het zijn echter de subtielere "werken van het vlees", waarmee de Vader in de hemel het meest gekrenkt wordt. Dat zijn de vele (religieuze) "zonden" waartoe de "vrouw" op het "beest" gelovigen verleidt (Op.18:5, 12:9, 13:14). Haar "naam" (=wezen) "op haar voorhoofd" (=in haar denken) is: "Het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde" (Op.17:1-18).

Die "werken" zijn bijvoorbeeld religie bedrijven in clubverband, in gebouwen van steen, met goedklinkende maar lege woorden, riten, formele gebeden, enz. Al in Jesaja zegt God, dat Hij dat verafschuwd. "Wie heeft verlangd om voor Mij te verschijnen? Waarom treden jullie Mijn voorhoven plat? Ga toch niet door met het brengen van huichelachtige offers. Het is gruwelijk reukwerk voor Mij. Jullie feestdagen, sabbatten en samenkomsten kan Ik niet verdragen. Het is feestelijke boosdoenerij. Jullie feesten haat Ik met heel Mijn ziel. Ze zijn Mij een last. Ik ben moede ze te dragen. Wanneer jullie je handen uitbreidt (om te bidden), verberg Ik Mijn ogen voor jullie ....." (Jes.1:12-15).

Hoe onderscheiden we al die werkingen van het kwaad? Door te leren van de Heer (Mat.11:29-30). Alleen door Zijn Geest zullen we leren onderscheiden, niet met ons verstand, niet door allerlei dingen te doen. Het getal van "het beest uit de aarde" is 666. "Hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die inzicht heeft, het getal van het beest ontcijferen: want er wordt de mens mee aangeduid. Het getal is zeshonderd zesenzestig" (Op.13:18).

Zes! Het bijbelgetal van de mens, van zijn "oude ziels-vleselijke natuur". Daar komt in wezen al dat kwade begeren en vleselijke gedoe uit voort. 666!


ZONEN GODS

Jezus overwon de "zielse-vleselijkheid" van het mens zijn (Joh.17:2). En bij de "zevende bazuin" wordt openbaar, dat ook de zonen Gods dat hebben overwonnen (Op.3:21, 12:7-11). Ze zijn de weg tot zoonschap op gegaan en komen als overwinnaars te voorschijn (Op.15:2).

Hoe die weg verloopt, zien we in het leven van Job, die "onbesmet en oprecht was, godvrezend en wijkende van het kwaad" (Job 1:1). Om als "goud" te voorschijn te komen, was er eerst een grondige toetsing nodig, een "grote verdrukking" (Op.1:15, Job 1 en 2, 23:10). Aan alle geredeneer met zijn "vrienden" moet een eind komen, om dan door "Elihu" te kunnen worden onderwezen. En als God Zelf tot hem spreekt, o.a. over die "twee beesten", komt hij tot inkeer (Job 42:1-6).

Dan, als hij voor zijn vrienden heeft gebeden, brengt de HEER een keer in zijn lot (Job 42:10). Hij kreeg het woord en de bediening van verzoening en "al zijn broeders en zusters en al zijn vroegere bekenden kwamen tot hem om te eten in zijn huis...." (Job 42:10-11).

Zij die zů volharden in de "druk", ontvangen de "kroon des levens" (Op.2:10). Ze worden koninklijke priesters, goede herders, richters, bevrijders (Op.5:10, Ob.1:21). Zij brengen overal het evangelie van verzoening, met als gevolg, dat iedereen wordt gericht (=rechtgezet) en te "eten" krijgt.

"Zalig (makarios=te benijden) is wie ogen heeft om te zien en oren om te horen" (Mat.13:16). Zalig wie wijsheid heeft (in Spreuken komt wijsheid "42" keer voor: "7x6"). Wie, net als Job, zich door de engel des Heren laat leren en God hoort spreken, die zal de "beesten" "zien" (=herkennen) en tot inkeer komen (Job 38-42, Op.13:9-10b, Jac.5:11).

Waar de weg tot zoonschap eindigt, is bij het Lam op de "troon". Dat is op Sion, op de koningsberg, met Jezus' naam en de naam van God op het voorhoofd (in het denken).

"Op het voorhoofd". We zagen van de zonen Gods al een vooruitblik in hoofdstuk 7, waar "144000" knechten (douloi) van elke "stam" van "IsraŽl" aan het "voorhoofd" verzegeld werden (Op.7:1-8). Het zijn er "12x12x10x10x10" (=een volheid van koninklijke priesters), allemaal losgekochte eerstelingen van de "aarde".

Ze zijn allemaal onbevlekt, maagdelijk, zonder leugen, onberispelijk (Op.14:1-5, Ps.15:1-2). En zo worden ze openbaar, zichtbaar. Als onberispelijke, verzoenende koningen, rechters (=rechtzetters), zegenende priesters en als welkome verlossers en bevrijders!


DE TOORN VAN GOD

Bij de laatste bazuin klinken er luide stemmen in de "hemel", die zeggen, dat nu het Koninkrijk Gods over "deze wereld" is begonnen om er altijd te blijven (Op.11:15). De vierentwintig oudsten danken God daarvoor en voor Zijn toorn die is gekomen (Op.11:16-18). Toorn? Hoe is dat te rijmen met onze hemelse Vader, die liefde is?

Het is een kwestie van vertaling. Daarvan eerst een voorbeeld uit het oude testament over het woord wraak. Er staat bijvoorbeeld: "HEER, God der wrake, verschijn in lichtglans, verhef U, Richter van de aarde" (Ps.94:1-2). Bij het lezen van dit vers, denken velen aan een boze God, die als een strenge rechter een genadeloos oordeel velt over wie niet naar Hem luisteren wil.

Het Hebreeuwse woord (naqam) is vertaald als wraak, maar het betekent herstel. De psalmist vraagt om herstel, om correctie. En als God verschijnt om te richten (=recht zetten), komt er LICHT! Halleluja! "Zeg tot de versaagden van hart: Wees sterk, vrees niet, want uw God komt met wraak, met vergelding Gods. Hij zal komen en u verlossen. En dan zullen de ogen van de blinden geopend worden" (Jes.35:4-5). Als de Heer verschijnt, wordt het niet donker, maar licht.

Nu het woord toorn in het het boek Openbaring. De "vierentwintig oudsten" (=de zonen Gods in hun functie als zegenende priesters) danken God, dat Hij Zijn macht en koningschap daadwerkelijk op "aarde" gaat uitoefenen (Op.11:17). "Dank U, dat Uw toorn is gekomen" (Op.11:18).

Voor toorn staat er het Grieks woord orge. Het betekent hartstocht, passie, verlangen, warmte, gloed. Het is afgeleid van oregomai, dat zich uitstrekken om iets aan te raken, verlangend naar iets reiken betekent. God is dus niet wraakzuchtig en kwaad, maar verlangend en liefdevol. Hij gaat niet slaan om te straffen, maar aanraken om te genezen. Zijn "toorn" is gekomen, Zijn hartstocht. En zijn hartstocht is lief te hebben! (Joh.3:16).


DE TOORN VAN DE VOLKEN

Er staat ook, dat de vierentwintig oudsten de HEER niet alleen danken, dat "Zijn toorn" is gekomen, maar ook voor het "toornig" worden van de volkeren (Op.11:16-18). Welke volken zijn dat?

Het zijn nog niet alle volkeren van de wereld, maar de volken van Gods akker die van Zijn liefde weten, maar Hem niet kennen, van rooms tot protestants, van orthodox tot evangelisch, van anglikaans tot baptist, enz. enz. Het zijn "de overigen van het nageslacht van de Vrouw, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17, 14:6-13). Ze zijn nog "op de aarde gezeten" (Op.14:6).

Die mensenzee hoort nu het ware evangelie en wordt massaal "toornig" om ook gereinigd te worden met het bloed van het Lam (Op.14:6). We hebben van hen een vooruitblik gezien in Openbaring 7 als "een grote schare, die niemand tellen kan, uit alle volk en stammen en natiŽn en talen" (Op.7:9-17). Ze komen voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen" (Op.7:9). Ja, God is liefde (Op.7:15-17).

Die "aardse" gelovigen moesten wel door "een grote verdrukking" en "hun gewaden laten wit maken in het bloed van het Lam" (Op.7:13-17). Zo krijgen niet alleen "douloi", profeten en heiligen "loon naar werken", maar ook wie Hem eren met ontzag, kleinen en groten (Op.11:18). "Voor de troon" juichen ze: "We zijn gered door onze God, die op de troon gezeten is, en door het Lam" (Op.7:10). Ook zij zijn uitgeleid uit "Egypte" en "Babel" en het is afgelopen met het "verderven" van Gods "akker" (Op.11:18) .

Het Griekse woord voor verderven is phtheiro en betekent te gronde richten. Dat geestelijk te gronde richten gebeurt mondiaal dus in "Egypte" en in "Babylon". Daar wordt "Gods hemelse akker" "vertrapt" en "verontreinigd" door ongeestelijk denken, vanuit menselijk initiatief en "zielse" beleving. Zo worden "hemelse" realiteiten "aards" gemaakt, vervleselijkt, ontkracht (Op.11:2, vgl.1Cor.3:9, Mar.4:2-7, Mat.15:6). Dat moet allemaal weg! "Egypte" moet zijn uitgeleid, "Babel", die grote berg (=macht), moet in de "zee" geworpen worden, "niet door menselijke inspanning en kracht, maar door Mijn Geest, zegt de Heer der heerscharen" (Mat.21:21, Mar.11:23, Zach.4:6).

Dan zal het "land" stromen van "melk en honing"! Niemand van Gods kinderen "zal nog hongeren of dorsten, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen" (Op.7:16-17). Hoe dat wordt gerealiseerd lezen in hoofdstuk 16.

Nog even dit: hoe kan een "volk" "toornig" naar God worden? Het antwoord is eenvoudig: als God Zijn Geest erop uitgiet. Een mooi voorbeeld daarvan is de opwekking van Wales in 1904.

Daar gebeurden er door de aanwezigheid van Gods "toorn" ongelooflijke dingen in het hele land. Er werd niet gepreekt, maar de Geest deed Zijn werk. Kerkdiensten werden glorieuze tijden van aanbidding. Zonden werden beleden door gelovigen en ongelovigen. Schulden werden afgelost. Casino's en pubs gingen dicht, de ťťn na de ander. Voor sportwedstrijden hadden fans en spelers nauwelijks nog belangstelling. In politieke of sociale bijeenkomsten was niemand meer geÔnteresseerd. En de door mensen gemaakte barriŤres tussen kerken stortten helemaal in. Babel was er gevallen!

U kunt het geloven of niet: wat er in Wales gebeurde, was maar een voorproefje, iets tijdelijks, net als alle opwekkingen. Maar als God "de boog" (=Jezus) in "de wolken" ziet, dan verschijnt Hij met de wolken en zal ieder oog Hem zien (Col.3:4, Op.1:7). Dan "denkt God aan Zijn eeuwigdurende verbond met alle levende wezens op aarde" (Gen.9:16-17 NBV). Dan stort Hij Zijn Geest uit op al wat leeft (JoŽl 2:28-29). Dan wordt iedereen en alles blijvend "nieuw". Halleluja!


DE BOODSCHAP
VAN DE "DRIE" ENGELEN

Dan "ziet" Johannes "drie" engelen verschijnen met een boodschap voor deze "overigen van het nageslacht van de Vrouw, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben" (Op.12:17, 14:6-13). Ze zijn nog van "de aarde" en de "draak" kan hun nog kwaad doen (Op.12:12b,17a).

De eerste boodschapper is Hij, die vliegt in het midden van de hemel: de engel des Heren. "Hij heeft een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie" (Op.14:6). Hij zegt met luide stem: "Blijf met ontzag God eren en aanbidden" (Op.14:7).

Een "andere" engel heeft zeer goed nieuws: "Gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht van haar hoererij alle volken heeft doen drinken" (Op.14:8). Haar "zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel" en nu is ze gevallen! "Ga dus uit van haar, Mijn volk" (Op.18:4).

Weer een "andere" engel komt met een waarschuwing: "Als iemand het beest en zijn beeld blijft aanbidden en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand wil blijven dragen, dan zal hij nog te maken krijgen met een zeer pijnlijk louteringsproces, want al het onkruid moet nu eenmaal worden verbrand. Blijf dus volharden en bewaar de geboden van God en het geloof in Jezus" (Op.14:9-12). Want er wordt spoedig "geoogst"! (Op.14:14-20).

Home page